De buldog-goodeïde, Alloophorus robustus
(Bean, 1892)
Alloophorus robustus
Alloophorus robustus
Alloophorus robustus
Landkaart
Tekst
Kees de Jong
Foto's
Kees de Jong & Andre Scheiwiller
Geplaatst
30 mei 2019
Een paar keer in mijn leven kreeg ik de kans een interessante vis te bemachtigen, maar die kans liet ik om diverse redenen lopen (zwemmen!). Dit was het geval bij de grootste goodeïde-soort Alloophorus robustus. Deze grote levendbarende vis zag ik voor het eerst in 1982 bij de Duitser Hans Dieter Georg. Ik kende toen nog niet alle goodeïden. Hans Dieter Georg hield de uitgegroeide exemplaren in een groot aquarium. Hij voerde ze volwassen guppen, want deze goodeïde is een echte carnivoor. Van deze grote veelvraten was ik in 1982 niet gediend. De niet-wetenschappelijke naam: “buldog-goodeïde” zegt genoeg.

In de jaren daarna heb ik de soort niet meer gezien. Deze vleeseter is door het ontbreken van kleur nooit een aantrekkelijke aquariumvis geweest voor de hobbyist. Pas in 2000 zag ik de soort weer, dit keer in Mexico. Het ging hier om exemplaren die als voedsel (!) op de markt werden verkocht. Voor een deel in gedroogde vorm, maar er waren ook verse exemplaren bij. Naast Alloophorus robustus werden ook nog Goodea atripinnis, cichliden en vissen uit het genus Chirostoma op deze markt verkocht. Op latere reizen door centraal Mexico trof ik de buldog goodeïde vaker aan op lokale markten.

Het was ook in 2000 dat ik mijn eerste levende exemplaar ving. Toen we met een groot sleepnet aan het vissen waren bij de bronnen van La Luz in het Río Lerma-stroomgebied in de Mexicaanse staat Michoacán, vingen we enkele exemplaren tussen de planten. Later ving ik de soort nog op andere locaties. Ze houden zich altijd op tussen de planten en je vangt meestal maar enkele exemplaren.

In 2013 kreeg ik van de Mexicaan Omar Domínguez- Domínguez 7 jongen van deze soort mee. Het waren jongen van een wildvang vrouwtje uit het Zacapu meer. Dit was dus de eerste keer dat ik ze meenam naar Nederland. Volgens Omar, een deskundige op het gebied van de goodeïden, was de kweek niet eenvoudig.
Systematiek
Alloophorus robustus werd in 1892 door BEAN beschreven. Hij kreeg in 1891 een partij vissen van A. DUGÉS waar deze soort tussen zat. Hij noemde de soort Fundulus robustus. In zijn ogen was het een grote en krachtige vis en de keuze van de soortnaam verwijst hiernaar. Verder vond hij de soort veel op de in 1866 door GÜNTHER beschreven eierleggende tandkarper Fundulus labialis (tegenwoordig ingedeeld in het genus Profundulus) lijken. Opvallend is dat hij in zijn beschrijving niet noemt dat de soort levendbarend is. Hij deelt de soort in bij de eierleggende tandkarpers.

In 1902 plaatste MEEK de soort in het genus Zoogoneticus. Hiermee werd de soort dus ingedeeld bij de goodeïden. Hoewel TURNER in een publicatie uit 1937 de naam Alloophorus al had gebruikt, werd het genus Alloophorus pas in 1939 door HUBBS & TURNER beschreven en werd de soort hierin ingedeeld. Ze geven aan dat Alloophorus zich van Zoogoneticus onderscheidt door onder andere de vorm van het ovarium en de vorm van de voedselstrengen van de jongen; de trophotaenia. Het genus is monotypisch dat betekent dat Alloophorus robustus de enige soort is.

In 2003 hebben DOADRIO & DOMÍNGUEZ op 42 goodeïden DNA-onderzoek gedaan. Ze deden uitgebreid onderzoek naar de verwantschap tussen de goodeïden. Ze ontdekten dat Alloophorus samen met Ameca, Chapalichthys, Xenoophorus, Xenotoca en Zoogoneticus tot de groep der Chapalichthyini behoort.
Temperatuur
Een watertemperatuur tussen de 16 en 24˚C is voldoende. Bij de laagste temperatuur planten ze zich niet voort en eten minder. Bij een lagere temperatuur kunnen de vissen een respectabele leeftijd van wel 7 jaar bereiken.
Verspreiding
De buldog-goodeïde komt op veel plaatsen in centraal Mexico voor. Vroeger vond men de soort in het Rio Lerma stroomgebied, bij de Cotija dam en in grote meren zoals Cuitzeo, Pátzcuaro, Chapala, Zacapu en Zirahuén. Uit de helft van de plaatsen waar de soort eerder werd aangetroffen is zij verdwenen. In twee regio’s zijn zelfs alle populaties verdwenen. DOMÍNGUEZ- DOMÍNGUEZ ET AL (2005) hebben de soort als bedreigd aangemerkt.

De laatste jaren wordt veel onderzoek gedaan naar het verdwijnen van veel populaties met goodeïden en wordt gekeken naar de mogelijkheden om soorten in stand te houden. Het is duidelijk geworden dat het soortbegrip niet voldoende is om een diersoort in stand te houden. Ook tussen populaties kunnen genetische verschillen bestaan die beschermd moeten worden. Deze genetisch verschillende populaties moeten in aparte aquaria worden gehouden. De term voor deze verschillende populaties is Evolutionarily Significant Unit (ESU). De verschillen worden bepaald door DNA-onderzoek, morfologie (uiterlijke kenmerken) en zoögeografie (geografische verspreiding). Afhankelijk van de soort worden één of meerdere ESU’s onderscheiden. Indien een soort op veel verschillende plaatsen voorkomt, is de kans groot dat er in deze van elkaar gescheiden gebieden zich meerdere ESU’s hebben ontwikkeld.

De Amerikaanse wetenschapper JOHN LYONS heeft ESU’s voor de goodeïden uitgewerkt. Aquarianen weten hierdoor welke populaties ze in gescheiden aquaria moeten houden. LYONS ontdekte bij de buldog goodeïde 4 ESU’s. We weten dat enkele hobbyisten één ESU houden. Een andere ESU wordt maar door één aquariaan gehouden. Alle ESU’s van de buldog-goodeïde worden bedreigd door vervuiling en overbevissing.
Uiterlijk
Zoals al geschreven Alloophorus robustus is de grootste goodeïden. De vrouwtjes worden maximaal 20 cm groot en de mannetjes enkele centimeters kleiner. Het zijn grofgebouwde vissen met een hoge lichaamsbouw. Het bruinige lichaam is aan de buikzijde iets lichter. De vinnen zijn kleurloos. Bij sommige mannetjes de staartvin aan het uiteinde gelig. De rugvin is bij mannetjes langer en bij hun aarsvin zijn de voorste vinstralen verkleefd. Dit laatste is kenmerkend voor het geslachtsorgaan van de goodeïden. De vissen hebben een stevige bek waarin de tanden goed zichtbaar zijn.
Kweek
Het kweken verloopt niet altijd soepel. Als de vissen in een groepje worden gehouden en dus zelf een partner kunnen kiezen, gaat het makkelijker. De vrouwtjes werpen niet vaak. Mijn ervaring is dat ze twee tot drie keer per jaar jongen werpen. De jongen zijn vlak na de geboorte bijna drie centimeter. Het maximale aantal jongen dat ik in één worp heb gehad, was 25, maar ik denk dat grotere vrouwen meer jongen kunnen werpen. Ik hield alleen maar jongen over als ik het vrouwtje op tijd apart zette. Anders worden de jongen meteen na de geboorte door de grotere vissen opgegeten. Gezien de grootte van het vrouwtje moet dit aparte aquarium minimaal 40 cm groot zijn en voorzien zijn van schuilplaatsen. Als de jongen geboren zijn, dient het vrouwtje verwijderd te worden anders eet ze haar eigen jongen op. De jongen eten meteen allerlei levend voer, maar ook diepvriesvoer. In mijn aquaria heb ik veel kleine glasgarnaaltjes die ook prima voedsel vormen. Het duurt ongeveer een jaar voordat de jongen zelf voor nakomelingen kunnen zorgen. Als ze groot genoeg zijn, kunnen ze bij de groep worden geplaatst.
Voedsel
Bij deze carnivoor is het voedsel het belangrijkste aspect van de verzorging. Eerst was ik bang dat deze soort alleen maar levende vissen zou eten. Gelukkig lust de buldog goodeïde ook iets anders. Ze eten graag levende vissen, maar er zijn alternatieven. Zo worden regenwormen en garnalen graag gegeten. In uiterste nood is vlokkenvoer mogelijk. Dit echter slechts een tijdelijk oplossing, want deze soort heeft stevig voedsel nodig.
Overig
Buldog-goodeïden hebben een aquarium met schuilplaatsen nodig De lengte van het aquarium moet minstens 100 cm lang zijn. Dit omdat de mannetjes agressief zijn en ze elkaar moeten kunnen ontwijken. Het is mij gelukt om zonder problemen meerdere mannetjes te houden. De soort heeft schoon water nodig en daarom moet minimaal tweewekelijks het water worden ververst.

Het houden en verzorgen van de buldog-goodeïde is interessant, ook al hebben ze nauwelijks kleur.

Door zijn eetlust zorgt de buldog-goodeïde ervoor dat een kweker van vis op een nette manier van zijn overschot aan visjes afkomt
Literatuur
T.H. BEAN (1892): Notes on fishes collected in Mexico by Prof. Alfredo Dugés with descriptions of new species. Proc. U.S. Nat. Mus. 15:283-287.
I. DOADRIO & O. DOMINGUEZ (2004): Phylogenetic relationships within the fish family Goodeidae base on cytochrome b sequence data. Molecular Phylogenetics and Evolution. 31: 416-430.
O. DOMÍNGUEZ- DOMÍNGUEZ, N. MERCADO-SILVA, J. LYONS & H. GRIER: The viviparous goodeid species. In: M.C. Uribe & H.J. Grier: Viviparous fishes – New life Publications, Homestead, Florida
H. HIERONIMUS (1995): Die Hochland-kärpflinge. Die Neue Brehm Bücherei. Westarp Wissenschaften.
C.L. HUBBS & C.L. TURNER (1939): Studies of the fishes of the order Cyprinodontes. XVI. A revision of the Goodeidae. Univ. Mich. Mus. Zool. Misc. Publ. 42: 1-80.
M.KEMPKES, M. KÖCK & R. STAWIKOWSKI (2013): Beiträge zur Biologie und zum Artenschutz der Hochlandkärpflinge. Die Neue Brehm Bücherei. Westarp Wissenschaften
C.L. TURNER (1937): The trophotaenia of the Goodeidae, a family of viviparous cyprinodont fishes. J. Morphology 61:495-523.

© 2018-2020 Poecilia.nl All Rights Reserved. Webmaster Marco Goeman
nlenfrdept
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account

X

.

© poecilia.nl