De zwaarddrager
Xiphophorus hellerii rood lyra albino
Xiphophorus hellerii
Psuedoxiphophorus jonesii
Rio Atoyac
Tekst
Kees de Jong
Foto's
Juan Carlos Merino & Kees de Jong
Geplaatst
20 januari 2019
Toen HECKEL in 1848 een vis onder de naam Xiphophorus hellerii beschreef, kon hij niet vermoeden dat deze vis na de import een kleine 70 jaar later een door zoveel mensen gehouden aquariumvis zou gaan worden. De naam Xiphophorus is ontleend aan het Griekse zwaarddrager en refereert, in tegenstelling tot wat veel mensen denken, aan het tot geslachtsorgaan omgevormde aarsvin (gonopodium) bij de mannetjes en niet aan de verlengde onderste vinstralen van de staartvin. Het is juist deze zo identieke staartvin bij de mannetjes die de soort tot een ‘echte’ zwaarddrager maakt.

Hoewel het houden en kweken van vissen in de jaren vlak voor de eerste wereldoorlog veel meer inzet en inventiviteit van de aquariaan vroegen dan tegenwoordig met het uitgebreide assortiment aan beschikbare hulpmiddelen het geval is, gaf de kweek van de zwaarddrager na de eerste import in 1909 weinig problemen. Al snel verschijnen dan ook de eerste artikelen in de Duitstalige aquariumliteratuur.

De soort is over het algemeen eenvoudig te houden en te kweken. Net als de gup, de black molly en de nauw verwante platy behoort de zwaarddrager tot de levendbarende tandkarpers. Bij deze groep vissen worden de eitjes in het lichaam van het vrouwtje bevrucht en op het moment van uitkomen, verlaten de jongen het moederlichaam. Indien het aquarium niet te klein is en er voldoende schuilplaatsen in de onderste en middelste waterlagen aanwezig zijn, zullen er altijd jonge zwaarddragers overblijven en volwassen worden. In tegenstelling tot jonge guppen en molly’s, waarvan de jongen zich de eerste tijd in de buurt van het oppervlak ophouden, blijven de jongen van de zwaarddrager in de buurt van de bodem. Vooral een bos Javamos kan een prima schuilplaats voor de kleine visjes vormen. Een vrouwtje van de zwaarddrager kan een groot aantal jongen werpen. Het record staat op 398 en het is dus voor de gemiddelde liefhebber ook niet nodig om er voor te zorgen dat een complete worp groot wordt.

Het grootbrengen van de jongen is niet moeilijk, maar het duurt wel enige tijd voordat de vissen volwassen zijn. Vrouwtjes kunnen na ongeveer 6 maanden geslachtsrijp zijn, bij de mannetjes kan dit veel langer duren. Het moment van geslachtsrijp worden, wordt door de aanwezigheid van andere mannetjes in het aquarium afgeremd. Ook zijn er bij zwaarddragers twee soorten mannetjes te onderscheiden. Vroegrijpe slanke mannetjes en de laatrijpe veel forsere mannetjes. Vooral bij deze laatste kan het tot 1 ½ jaar duren voordat het de secundaire geslachtskenmerken zoals zwaard en gonopodium zichtbaar worden. Daarna functioneren deze vissen als normale mannetjes. Deze punten zorgden er voor dat men vroeger de indruk had dat vrouwtjes in mannetjes konden veranderen. Hiervoor is nooit enig bewijs geleverd en deze conclusie kan dan ook naar het rijk der fabelen worden verwezen. Het is ooit eens door iemand opgeschreven en daarna altijd weer overgeschreven. Helaas duikt deze misvatting ook tegenwoordig af en toe weer op in allerlei artikelen.

De groene zwaarddrager heeft een groot verspreidingsgebied dat loopt van de oostkant van Midden-Mexico tot aan noordwest Honduras. Een gebied met een lengte van meer dan 1100 km. In dit gebied wordt de soort aangetroffen in zowel snelstromende rivieren als stilstaand water. Aangezien deze verschillende biotopen andere eisen aan hun bewoners stellen kan de lichaamsbouw van de vissen verschillen. De vorm van het gonopodium wordt ook mede door de leefomstandigheden bepaald.. Aan het uiteinde hiervan bevinden zich haakjes die een belangrijke rol bij de bevruchting spelen. Het gonopodium van de mannetjes die in snel stromen water leven, heeft meer haakjes dan dat van de populaties die in stilstaand water leven.

Ook de kleur van de zwaarddrager kan erg verschillen. Dit verschil is zowel tussen verschillende populaties als binnen één populatie aanwezig. De lengtestreep over de zijkant van het lichaam varieert van donkerbruin bij de meest noordelijk populaties tot enkele rode strepen bij de zuidelijke.

Hoe variabel de soort binnen een populatie in kleur en tekening (polymorf) kan zijn, kon ik zelf waarnemen tijdens mijn vakantie die ik in 1996 in Mexico hield. Tijdens deze reis bezocht ik de Rio Atoyac in de staat Vercruz. Deze plek wordt in de literatuur vaak genoemd vanwege zijn fraaie zwaarddragers en leek ons dan ook een bezoek waard. Toen we na enig zoeken in het plaatsje Carillo Puerto aankwamen reden we over een diep ravijn waarin we de Rio Atoyac zagen stromen. Nadat we toestemming van de bewoners hadden gevraagd, mochten we langs een smalle weg naar beneden rijden en konden de rivier nauwkeuriger bekijken. De bedding van de ongeveer 7 meter rivier bestond uit rolkeien van verschillend formaat. Deze waren bedekt met een laag sediment en hier en daar zagen we een bos op waterpest lijkende planten. De diepte varieerde van anderhalve meter tot slechts 40 centimeter meer stroomopwaarts. In het kristalheldere water zagen we meteen grote groepen zwaarddragers die aan het foerageren waren. In de bovenste waterlagen zwommen Pseudoxiphophorus bimaculatus en Pseudoxiphophorus jonesi. Verderop vingen we later nog de molly Poecilia mexicana mexicana.

Enthousiast geworden door deze aanblik sprongen we snel met een sleepnet in het water om te proberen om enkele exemplaren van de aanwezige vissen te vangen. Dit lukte al vrij snel en met enkele snelle bewegingen hadden we ook enkele zwaarddragers in ons net. Het viel meteen op dat de vissen qua kleur en tekening erg verschilden. Zo waren er vissen met en zonder zwarte vlekken en was ook de tekening in de staartwortel erg verschillend. Natuurlijk gingen we ook op zoek naar de rode mannetjes die volgens de literatuur bij deze populatie aanwezig moeten zijn. Na lang zoeken zagen we één mannetje met deze kleur zwemmen. Pogingen om deze fraaie vis te vangen liepen allemaal op niets uit. Hij zag telkens mogelijkheden om tussen de keien weg te duiken. Verder zagen we geen rode mannetjes zwemmen.

Alle zwaarddragers overleefden de reis en konden in een grote groep in het aquarium worden gedaan. Hierbij heb ik niet op kenmerken geselecteerd en alle vissen bij elkaar gehouden. Door deze aanpak hoop ik zoveel mogelijk van de natuurlijke tekening en kleur in mijn groep te houden.

Uit bovenstaande beschrijving blijkt al dat er binnen één populatie een groot aantal kenmerken voorkomt die als basis kan dienen voor een selectieve kweek. Het gebruiken van zwaarddragers uit andere biotopen kan hieraan nog nieuwe kenmerken toevoegen. Daarnaast is er nog een genetische pool met veel kenmerken waar bij de eerste selectieve kweek veel gebruik van werd gemaakt. Zwaardragers blijken eenvoudig te kruisen met platy’s en zo werden ook veel kenmerken van deze kleinere visjes toegevoegd. Door te blijven selecteren op bepaalde kenmerken en ook te blijven letten op de lichaamsvorm van de zwaarddrager zijn er tegenwoordig veel kweekvormen bekend. In de gemiddelde aquariumwinkel zijn meestal alleen nog maar kweekvormen aanwezig. Een nadeel van de meeste van deze kweekvormen is echter wel dat ze het oorspronkelijke gedrag van de zwaarddrager niet meer hebben. Is de balts en de vitaliteit in de natuur een belangrijk selectiemechanisme, bij een selectie op kleur of tekening door een kweker gaat dit aspect natuurlijk verloren. In vergelijking met hun natuurlijke soortgenoten maken de gekweekte stammen vaak een slome indruk.

Het gaat te ver om alle kweekvormen hier te noemen. Enkele bekende die regelmatig kunnen worden aangetroffen zijn: de rode zwaarddrager, de wagtial zwaarddrager (met zwarte vinnen), de albino zwaarddrager en de zwarte zwaarddrager. Naast de verschillen in de kleuren zijn er ook vormen met afwijkende vinnen bekend.

Naast de hoogvinnige vorm bestaat er ook een vorm waarvan alle vinnen verlengd zijn. Het verlengen van deze vinnen wordt veroorzaakt door de Lyra-factor. Een bijkomend gevolg van deze factor is ook dat het geslachtsorgaan van de mannetjes dusdanig lang wordt dat het onbruikbaar is. Het is onmogelijk om dit lange en vaak ook nog gedraaide orgaan te draaien en de wijfjes te bevruchten. Om deze vorm te kweken moeten mannetjes met normale vinnen worden gebruikt. Indien deze worden gepaard aan vrouwtjes met de Lyra-factor, zal de helft van de jongen ook deze lange vinnen hebben.

Groene zwaarddragers kunnen, afhankelijk van de populatie of kweekvorm, wel 10 cm lang worden en hebben dan ook een ruim aquarium nodig. Verder worden er nauwelijks eisen gesteld en ze zijn dan ook prima geschikt voor elk aquarium. Het houden van de oorspronkelijke vitale vorm is zeker het proberen waard. Onder gespecialiseerde liefhebbers worden vaak zwaarddragers met een vangplaats gehouden.
Literatuur
Dit artikel verscheen eerder in Poecilia Nieuws 1998 (6): 97-101

© 2018-2020 Poecilia.nl All Rights Reserved. Webmaster Marco Goeman
nlenfrdept
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account

X

.

© poecilia.nl