Een eenvoudig visje het Catemaco-platy
Rosen, 1960
Xiphophorus milleri
Catemaco meer Playa Azul
Tekst
Kees de Jong
Foto's
Leo van der Meer
Geplaatst
23 februari 2019
Vissen die qua schoonheid niet aan de smaak van de meeste aquarianen voldoen, zullen over het algemeen niet veel in het aquarium worden gehouden. Dit is zeker het geval met het Catemaco-platy. Hoewel er ook gevlekte stammen van deze levendbarende tandkarper bestaan, is de meest voorkomende vorm een zeer eenvoudig en onopvallend getekend visje. Zelfs onder gespecialiseerde liefhebbers bleek het geen blijvertje. De laatste jaren werd alleen de gevlekte vorm door enkelen nog gehouden.

Toen André Schonewille, Liekele Sijstermans en Tim Bollick en ik een bezoek aan het natuurlijke biotoop van het Catemaco-platy brachten, lag het dan ook in de bedoeling om ook van dit visje enkele exemplaren levend mee terug naar Nederland te nemen.

Het Catemaco-plaatje wordt slechts op één plaats gevonden: het Catemaco meer in Mexico waaraan het ook zijn Nederlands naam heeft te danken. Dit grote vulkanische meer heeft een lengte van ongeveer 16 km en is dus vrij eenvoudig op de kaart te vinden. Het ligt op 340 meter boven de zeespiegel en is op sommige plaatsen 15 meter diep. De bodem van het meer bestaat uit vulkanisch zand en stenen en er zijn nauwelijks waterplanten aanwezig. Hier en daar komen Ceratophyllum en Nymphaea voor.

Het plaatsje Catemaco ligt aan dit meer en vanuit een hotel in dit stadje met ongeveer 25.000 inwoners reden we naar het meer. In en rond het meer komen naast het Catemaco platy enkele nog enkele soorten levendbarende tandkarpers endemisch voor. In het meer worden Poecilia catemaconis Miller, 1975 en Poeciliopsis catamaco Miller, 1975 nog aangetroffen.

Onze eerste stop was het hotel Playa Azul aan de rand van het stadje. Op deze plek was door Miller Poecilia catemaconis of de citroenmolly gevonden. Dankzij de vriendelijke medewerking van het toch wel enigszins verbaasde hotelpersoneel mochten we onze VW-bus tot vlak aan de oever van het meer rijden. Hier werden de netten gepakt om de molly met zijn fraaie gele vinnen te kunnen vangen. Terwijl enkele bewoners doorgingen met het wassen van hun kleding poogden wij iets te vangen. Dit lukte niet. Tot onze grote ergernis vingen we helemaal niets als we het net door het water haalden. Grote vissen zagen we niet zwemmen. Slechts enkele kleine visjes, mollies dat was ons wel duidelijk, zwommen vlak boven de bodem van lavastenen. Bij het minste of geringste doken de vissen hier tussen. Met de grootste moeite wisten we ongeveer tien visjes van ongeveer drie centimeter lengte te vangen. Overigens waren wij niet de enigen die geen grote exemplaren van de citroenmolly te vangen. De grote exemplaren die Miller gebruikte om de soort in 1975 te beschrijven, had hij van lokale vissers op de markt gekocht (Miller, 1975). Wanneer de vissen volgroeid zijn, schijnen ze de diepere waterlagen op te zoeken en te leven op een diepte van minimaal 1,5 m. Pas later hoorde ik dat de grote vissen ‘s ochtends aan de oevers van het meer foerageren en dat het dan betrekkelijk eenvoudig is om ze te vangen. Helaas waren wij er op dat moment aan het eind van de ochtend en bleef onze vangst beperkt tot de kleine dieren.Terwijl een visser in een bootje lachend de grote cichliden liet zien die hij had gevangen, werden de netten weer opgeruimd en reden we de zandweg die rond het meer loopt op om op zoek te gaan naar X. milleri.

Xiphophorus milleri is in 1960 door Don Eric Rosen beschreven en is genoemd naar R.R. Miller die deze en vele andere soorten levendbarende tandkarpers heeft verzameld. Rosen noemt als belangrijkste kenmerken voor de soort het gonopodium met zijn weinige haakjes aan de top en de gestroomlijnde lichaamsbouw. Naar zijn idee zou het Catemaco platy een apart van X. maculatus en X. variatus ontwikkelde soort zijn. Laatstgenoemde soorten zouden zich in het laagland hebben ontwikkeld, terwijl X. milleri in het hogere deel van Mexico zou zijn ontstaan. Basalo (1990) geeft het Catamaco platy op basis van de haar bekende gegevens een plaats tussen deze twee soorten in.

Het visje wordt aangetroffen in de kleine stroompjes die in het meer stromen. Zodra we bij een stroompje van enige betekenis werd gevonden, werd het vangmateriaal uitgepakt om een poging te wagen om het bruine Catemaco platy te vinden. De oevers van het meer waren tot aan de iets hoger gelegen weg voor het grootste deel ontdaan van bomen. Aan de andere kant van de weg was nog sprake van bos. In het water onder de bomen ving Andre een klein exemplaar van X. milleri. Tim en ik besloten om meteen met het sleepnet naar het meer te lopen en daar in het stroompje van maximaal 1 ½ meter breed en 1 meter diep ons geluk te proberen. We vingen grote hoeveelheden vis in dit stroompje. Naast mollies vingen we ook Pseudoxiphophorus bimaculatus, groene zwaarddragers (X. helleri), cichliden en enkele meervallen. Toen we geen exemplaren van X. milleri in ons net aantroffen, gingen we meer in de richting van het meer zoeken. Naast de al eerder genoemde vissen vingen we in het riet ook enkele exemplaren van de zwart gevlekte Poeciliopsis catemaco. Deze soort lijkt erg op de bekende Poeciliopsis gracilis. De mannetjes van deze soort waren dusdanig klein dat ze snel door de mazen van het net heen vielen. Erg veel exemplaren werden er van deze soort niet gevangen en de vijf vissen die het uiteindelijke resultaat waren, werden dan ook snel in plastic zakken verpakt. Volgens Miller (1975) leven de volgroeide vissen van deze soort net als die van de citroenmolly ook in het diepere water. Qua lengte behoort de soort met een maximale lengte van bijna 10 cm voor volgroeide vrouwtjes tot de grootste soorten van het genus Poeciliopsis. Een ander belangrijk kenmerk van de Poeciliopsis uit het Catemaco-meer is de wijze van voortplanting. In het lichaam van het vrouwtje kunnen zich jongen in twee verschillende ontwikkelstadia bevinden. Hoewel het feit dat jongen zich in verschillende ontwikkelstadia in het lichaam van vrouwtje bevinden wel bij meer soorten bekend is, bijvoorbeeld bij Heterandria formosa, is het uniek dat de jongen zich in slechts twee verschillende stadia in het lichaam bevinden. Bij de meeste levendbarende soorten die superfoetatie, zoals deze vorm van voortplanting heet, hebben zijn meer ontwikkelingsstadia aanwezig. Het ovarium waarin de jongen zich ontwikkelen ligt ver naar voren tot in de buurt van de kieuwen. Hierdoor heeft het vrouwtje ook wanneer ze drachtig is een gestroomlijnde lichaamsvorm.

Van X. milleri ontbrak echter ieder spoor. Terwijl de moed ons al enigszins in de schoenen was gezakt, werd het kleine stroompje vanaf het meer naar de weg toe weer met het sleepnet doorgesleept. Pas toen we bij de verbreding van het stroompje vlak bij de weg aankwamen werd het gezochte visje gevangen. In deze poel bleek de soort in grote hoeveelheden voor te komen. Met twee halen van het net hadden we reeds veel meer gevangen dan we nodig hadden.

Het waren allemaal volwassen mannelijke en vrouwelijk dieren. Jongen werden in deze groep niet aangetroffen. Mogelijk houden de jongen van de soort zich elders op. Het was echter vreemd dat we geen enkele vonden in het deel dat wij toch intensief onderzocht hebben. Misschien is de voortplanting seizoengebonden en worden de jongen geboren als de regentijd is ingetreden. Het water had een hardheid van 4ºGh bij een geleidbaarheid van 90 microsiemens. De temperatuur was 28ºC en de zuurgraad bedroeg 6 pH.

De door ons gevangen vissen waren binnen de eenvoudige tekening die het Catemaco-platy erg polymorf. De lichaamstekening varieerde van geen enkele tekening tot enkele zwarte stippen die in zwarte strepen over het lichaam lopen. Daarnaast waren er verschillende tekeningen in de staartwortel zichtbaar. Sommige vissen hadden geen enkele tekening, terwijl anderen een zwarte vlek, een zwarte punt of een zwarte halve maan hadden. De verschillende tekeningen kwamen in alle denkbare combinaties bij beide geslachten voor. Ook waren er enkele mannetjes met een pseudo-drachtigheidsvlek aanwezig. We troffen geen bijna zwart gekleurde mannetjes aan. Hiervan zijn wel populaties bekend. De zwarte tekening komt samen met een kenmerk dat zorgt voor het snel geslachtsrijp worden op het Y-chromosoom voor. Aangezien de mannetjes van levendbarende tandkarpers na het geslachtsrijp worden nauwelijks meer groeien, zijn de zwarte mannetjes dan ook kleiner dan normaal gekleurde mannetjes. Normale mannen worden ongeveer 4 cm lang, de bijna zwarte mannetjes bereiken een lengte van ongeveer 2,5 centimeter. In een brief geeft Steven Kazianis, die veel onderzoek naar de genetica bij Xiphophorussoorten doet, aan dat grote donker gekleurde mannen kunnen ontstaan wanneer er sprake is van crossing-over is kunnen of bij hybriden kunnen ontstaan. De kans op crossing-over is ongeveer 1 op duizend. Het gevolg kan echter ook zijn dat er dan vrouwtjes met een bijna zwart gekleurd lichaam ontstaan. Zaken als crossing-over geven al aan dat er van alles kan gebeuren met de genetische kenmerken van een groep in het aquarium gehouden vissen. Daarnaast is het zo dat bepaalde kenmerken volgens S. Kazianis niet alleen bij hybriden tussen twee soorten kunnen ontstaan, maar dat het kruisen van twee vissen van dezelfde soort van verschillende locaties ook al kan leiden tot allerlei onverwachte nakomelingen met onverwachte genetische eigenschappen. Al deze zaken zorgen er voor dat de genetica van de vissen uit het genus Xiphophorus zeker niet eenvoudig is. Ondanks het vele onderzoek zijn er nog veel vragen die onbeantwoord zijn.

In totaal namen we ongeveer 30 vissen mee. Al deze vissen werden apart in kleine plastic zakjes verpakt en elke dag werden de zakjes nagekeken. De eerste dagen werd ook het water ververst. De vissen scheiden de eerste dagen afvalstoffen af en daarom is het van belang het water te verversen totdat dit niet meer het geval is. Om vervuiling van het water te voorkomen, werd er gedurende de reis niet gevoerd. Wel werd er later regelmatig lucht ververst. Twee weken nadat de vissen waren gevangen, konden ze in aquaria in Amerika en Nederland worden ondergebracht. Op 1 exemplaar na overleefden allen de reis. Zelf had ik vijf paartjes meegenomen en plaatste deze in eerste instantie in een aquarium van een halve meter. De Catemaco-platy’s wekten de indruk alsof ze niet anders deden dan in een plastic zakje de wereld rondvliegen. Zodra er een uur later met diepgevroren rode muggenlarven werd gevoerd, begonnen ze te eten.

Net als zo’n zes jaar geleden, toen ik dit visje ook al eens had gehouden, bleek het houden en kweken van de soort geen enkel probleem te geven. De vissen houden zich het liefst in een groep in de middelste waterlagen op. Tijdens de balts zwemmen de mannetjes heen en weer voor het vrouwtje. Naar elkaar en naar andere vissen is deze soort uitermate vredelievend. Ze zijn dan ook prima in een gezelschapsaquarium te houden. Het samenhouden met andere soorten uit het genus Xiphophorus is niet aan te raden. De kans dat er in het aquarium hybriden tussen het Catemaco platy en de andere aanwezige vertegenwoordigers van dit genus zullen ontstaan is erg groot.

De drachtige vrouwtjes zijn goed te herkennen aan hun ronde buik en de zwarte drachtigheidsvlek. Binnen een week zwommen de eerste jongen in het aquarium. De grotere vissen zullen bij voldoende voer nauwelijks jacht maken op hun eigen jongen en blijft er altijd een groot aantal over. De jongen houden zich, net als de jongen van andere soorten uit het genus Xiphophorus, in de buurt van de bodem op. Enige beplanting op deze hoogte biedt de jongen dan ook een extra overlevingskans. Een volledig uitgegroeid vrouwtje kan ongeveer 30 jongen krijgen en indien er geen fanatieke rovers in het aquarium aanwezig zijn, zwemt er al snel een grote groep van deze vissen door het aquarium. De jongen zijn na ongeveer drie maanden geslachtsrijp. Mijn ervaring is wel dat met name de vrouwtjes niet erg oud worden. Hoewel de Mergus AquarienAtlas (deel 2 , 1987) melding maakt van een leeftijd van 2 tot 3 jaar, worden de visjes bij mij niet veel ouder dan 10 maanden. Na een maand of acht verliezen de vrouwtjes hun kenmerkende drachtigeheidsvlek en zwemmen nog enige tijd zonder nakomelingen ter wereld te brengen door het aquarium. Een reden hiervoor kan ik niet aangeven. Mogelijk dat het houden op een lagere temperatuur de levensduur verlengd. Zelf houd ik de soort op een temperatuur van rond de 22°C, een naar mijn idee niet al te hoge temperatuur. Mogelijk dat de leeftijd na enkele generaties in het aquarium toe zal nemen. De soort is echter dusdanig vruchtbaar dat er altijd voldoende jongen aanwezig zijn.

Hoewel op het eerste gezicht niet uitermate kleurig is het Catemaco platy bij nauwkeurige bestudering een interessante vertegenwoordiger uit het genus Xiphophorus. Het feit dat het houden en de kweek eenvoudig is, maakt ze uitermate geschikt voor beginners of mensen met een gezelschapsaquarium die eens iets anders willen houden.
Literatuur
Dit artikel verscheen eerder in Poecilia Nieuws nummer 6 uit 1997.
Miller, R.R. (1975) Five new species of Mexican Poeciliid fishes of the genera Poecilia, Gambusia, and Poeciliopsis, Occasional papers of the museum of zoology university of Michigan 672 August blz 1 - 44
Rosen, D.E. (1960) Middle-American Poeciliid fishes of the genus Xiphophorus, Bulletin of the Florida State Museum Vol 5 blz. 58-243.
Kallman, K.D. (1989) Genetic control of size at maturity in Xiphophorus in Ecology & Evolution of Livebearing fishes. Uitg Prentice Hall. Blz.163 - 184.
Basolo, A.L. (1990) A further examination of pre-existing bias favouring a sword in the genus Xiphophorus, Anim. Behav. 50 blz. 365-375
Baensch, H.A. en Riehl, R. (1987) Aquarien Atlas Band 2 Mergus ISBN 3-88244-016-3

© 2018-2020 Poecilia.nl All Rights Reserved. Webmaster Marco Goeman
nlenfrdept
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account

X

.

© poecilia.nl