Een molly in Griekenland
Poecilia latipunctata
Poecilia latipinna
De drie kleurvormen
Tekst
Kees de Jong
Foto's & Tekening
Zie foto
Geplaatst
28 september 2019
Oorspronkelijk komen de levendbarende tandkarpers uit de Amerika’s maar tegenwoordig worden ze op allerlei plaatsen aangetroffen. Als de temperatuur voldoet aan de eisen van deze visjes weten ze zich meestal zonder problemen te handhaven. Ook in Europa worden ze aangetroffen. Rondom de Middellandse zee is op veel plekken het muskietenvisje (Gambusia holbrooki) te vinden. Op plaatsen waar het water (kunstmatig) wordt verwarmd komt ook de gup voor. Jarenlang leefden guppen in het koelwater van de hoogovens in IJmuiden. Tegenwoordig wordt het warme koelwater niet direct geloosd en deze populatie is nu verdwenen. In warmwater bronnen in Europa worden soms platy’s en molly’s aangetroffen. In Poecilia Nieuws zijn al regelmatig verhalen over muskietenvisjes in Italië, Griekenland (Kos), Spanje en Frankrijk verschenen (o.a. LOBREGT 2010a, 2010b, DE JONG 1994, 2009). Ook een molly-populatie uit Boedapest (DE JONG 2010) is al eens bij de lezers geïntroduceerd. Deels zijn deze vissen uit het aquarium afkomstig, maar bij de muskietenvisjes gaat het vaak om vissen die uitgezet zijn. Ze eten graag muggenlarven en daardoor zou de via muggen verspreide malaria kunnen worden bestreden.

Het Griekse klimaat biedt goede mogelijkheden voor de taaie flexibele tandkarpers en uit het artikel van KOUTSIKOS ET AL (2017) wordt een populatie molly’s uit dit land beschreven. In 2010 werden in het Vouliagmeni meer in de buurt van Athene molly’s gevangen.

Dit meer is ongeveer 1,59 hectare groot, wordt geothermaal verwarmd en heeft een temperatuur van 18-29ºC (de gemiddelde watertemperatuur in het midden van het meer is 22,5-24,9°C). Het water is brak. Het meer is dicht begroeid en er leeft een lokale anemonensoort (Paranemonia vouliagmenensis). Naast de molly werden nog twee andere vissoorten aangetroffen: de paling en de grootkopgrondel (Millerigobius macrocephalus).

Van de molly’s komen drie kleurvormen in het meer voor: de zilvergroene wildvorm, een zwarte en een bonte vorm.

De grote mannetjes hebben een kenmerkende brede hoge rugvin en uitgesproken kleuren waarmee ze zich onderscheiden van de vrouwtjes. Daarnaast komen ook kleine mannetjes met een lengte van ongeveer 3 cm voor die geen grote rugvin en uitgesproken kleuren hebben. Natuurlijk zijn de mannetjes ook van de vrouwtjes te onderscheiden door de tot gonopodium omgevormde aarsvin.

De molly’s worden ingedeeld naar een groep met een grote brede rugvin en een groep met een korte smalle rugvin. Tot de eerste groep behoren de zeilvinmolly (Poecilia latipinna), de hoogvinkarper (P. velifera), de zwaardmolly (P. kykesis; door KOUTSIKOS ET AL nog P. petenensis genoemd) en als outsider behoort tot deze groep de kortvinnige Poecilia latipunctata.

Op basis van uiterlijke kenmerken hebben KOUTSIKOS ET AL. vastgesteld dat de molly’s uit het Vouliagmeni meer zeilvinmolly’s (Poecilia latipinna) zijn. Het aantal vinstralen in de rugvin bij de molly’s varieerde van 13 tot 16 en met dit aantal vallen ze buiten de range voor de kortvinnige molly’s. De breedvinmolly’s kennen een grote spreiding in het aantal vinstralen in de rugvin en op basis daarvan was niet vast te stellen tot welke soort de gevangen molly’s behoorden. Daarom werd gebruik gemaakt van het aantal schubben in de staartwortel. Op basis daarvan werd geconcludeerd dat het om de zeilvinmolly gaat. Molly’s zijn onderling makkelijk te kruisen en de vele kweekvormen zijn vaak ontstaan door soorten te kruisen. Hoewel niet te achterhalen is waar deze populatie molly’s vandaan komt, acht ik de kans dat het hier om een uitgezette kweekvorm gaat groter dan dat het een zuivere wildvorm van de zeilvinmolly is. KOUTSIKOS ET AL melden dit probleem ook, maar gaan er toch van uit dat het hier om een zuiver populatie zeilvinmolly’s gaat Ik ben benieuwd wat Fred Poeser van deze molly’s vindt.

Uit eerder onderzoek is gebleken dat de temperatuur van invloed is op de kleur van de zeilvinmolly. Een lagere temperatuur zorgt voor een hoger percentage zwarte vissen. Nakomelingen die onder een hogere temperatuur van 28 ºC opgroeiden hadden meestal de normale wildkleur. Vissen die bij een lagere temperatuur van rond de 20ºC opgroeiden hadden vaker een zwarte tekening. De temperatuur in het Vouliagmeni meer valt in de koelere temperatuurrange voor de invloed op de kleur en mogelijk verklaart dit het aantal zwarte en gevlekte vissen. In het meer waren de percentages kleur als volgt: 53,9% wild, 31,5% zwart en 14,6% zwartgevlekt.

In het meer komen de molly’s in grote aantallen voor. Waarschijnlijk zorgt het ontbreken van predatoren, een goede temperatuur en de aanwezigheid van veel voedsel voor een gezonde en grote populatie. Mocht je eens in de buurt zijn, dan is het zeker de moeite waard om deze populatie molly’s eens te bekijken. Als je ze mee wilt nemen om in het aquarium te verzorgen, houd er dan wel rekening mee dat de vissen in brakwater leven en het niet per definitie goed doen in een zoetwateraquarium.
Onderschrift foto " de drie kleurvormen"
De drie kleurvormen die in het meer worden aangetroffen.

a. wild
b. zwart
c. bont

(illustratie uit KOUTSIKOS et al.)
Literatuur
K. DE JONG (1994): Levendbarende tandkarper op Kos (Griekenland). Poecilia Nieuws (6): 115-116
K. DE JONG (2009): Vakantie. Poecilia Nieuws (5): 13-15
K. DE JONG (2010): Boedapest. Poecilia Nieuws (5): 17-18
N. KOUTSIKOS, A.N. ECONOMOU, L. VARDAKAS, D. KOMMATAS & S. ZOGARIS (2017) First confirmed record of an established population of sailfin molly, Poecilia latipinna (Actinopterygii: Cyprinodontiformes: Poeciliidae) in Europe. Acta Ichthyologica et Piscatoria 47(3): 311-315.
H. LOBREGT (2010a): Puccini gambusia (deel 2). Poecilia Nieuws (4): 28-32
H. LOBREGT (2010b): De pussini Gambusia. Poecilia Nieuws (2): 22-26

© 2018-2020 Poecilia.nl All Rights Reserved. Webmaster Marco Goeman
nlenfrdept
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account

X

.

© poecilia.nl