Levendbarende tandkarpers, meer dan guppen, platy’s en molly’s.
Allodontichthys tamazulae
Allotoca dugesii
Scolichthys iota
Xiphophorus variatus
Tekst
Kees de Jong
Foto's
Zie foto
Geplaatst
25 oktober 2019
De levendbarende tandkarpers behoren sinds de introductie van het aquarium al tot de populairste aquariumvissen en bijna iedere aquariaan heeft wel eens één van de bekendste soorten gehouden. In elke aquariumwinkel zijn wel kweekvormen van de guppen, platy’s, molly’s of zwaarddragers te koop. Deze vissen hebben de naam eenvoudig te houden te zijn en worden dan ook gezien als beginnersvissen. Het idee is dat de kweek van deze soorten ook eenvoudig is en dat ze zich zonder problemen onder alle omstandigheden prettig voelen en vermeerderen. Het feit dat deze levendbarende tandkarpers altijd in de top 10 van meest verkocht aquariumvissen voorkomen doet echter vermoeden dat dit niet het geval is.

In de beginjaren van de 20e eeuw toen de aquariumhobby op gang kwam, behoorden deze vissen met als belangrijkste kenmerk de geboorte van volgroeide jongen in plaats van het leggen van eieren, tot de populairste aquariumvissen. In de beginperiode werden vooral die soorten geïmporteerd die weinig eisen aan de in die tijd moeilijk te regelen temperatuur stellen. De eerste vertegenwoordig was Phalloceros caudimaculatus waarvoor in die tijden een astronomisch bedrag werd betaald.

Met de introductie van zwaarddragers, platy’s, molly’s en de gup ontstonden door kruisingen en selectieve kweek allerlei fraai gekleurde en gevormde kweekvormen. Het zijn deze kweekvormen die tegenwoordig in de detailhandel worden aangeboden. De vaak minder uitgesproken gekleurde wildvormen zijn nauwelijks verkrijgbaar. Dat is een gemis, want een groot aantal hiervan is prima geschikt voor het gezelschapsaquarium en is door hun interessante gedrag en aansprekende uiterlijk een prima aanvulling op het aanwezige vissenbestand. Bij in levendbarende tandkarpers gespecialiseerde verenigingen zoals Poecilia Nederland zijn veel van de minder gangbare soorten aanwezig.

De levendbarende tandkarpers zijn de laatste jaren het onderwerp van wetenschappelijk onderzoek en daardoor wordt ook telkens meer bekend over deze vissen. Ook worden nog regelmatig nieuwe soorten beschreven. In dit artikel geef ik op hoofdlijnen informatie over de levendbarende tandkarpers, het is ondoenlijk om alle aspecten naar voren te laten komen. Aan het eind van het artikel stel ik kort enkele soorten voor die naar mijn inzicht prima in het gemiddelde gezelschapsaquarium kunnen worden gehouden.
Verspreiding
Op het moment dat het over de plekken gaat waar levendbarende tandkarpers kunnen worden aangetroffen, moet altijd een tweedeling worden gemaakt tussen het oorspronkelijke verspreidingsgebied en het gebied waar de soorten door toedoen van de mens zijn terechtgekomen.

Het oorspronkelijke verspreidingsgebied loopt van het zuiden van de Verenigde Staten van Amerika tot aan het Argentinië en de Caribische eilanden. De levendbarende tandkarpers worden in dit gebied in allerlei typen water aangetroffen. Sommige groepen, zoals de zwaarddragers en platy’s uit het genus Xiphophorus, worden alleen aangetroffen in puur zoet water, maar andere zoals de soorten uit het genus Poecilia, komen ook voor in brak en zelfs zeewater. Een voorbeeld hiervan is de mangrove molly (Poecilia orri) en Poecilia vivipara, die in zowel in zoet-, brak- als zeewater leven. Om deze soorten goed te houden is het van belang om te weten met welke populatie men te maken heeft, dit bepaalt de samenstelling van het water die noodzakelijk is. Groepen die een hogere zouttolerantie hebben, zijn eenvoudiger in staat via de kusstreken andere rivieren te bereiken en hebben dan ook meestal een groter verspreidingsgebied.

Per soort is de grootte van het verspreidingsgebied sterk verschillend. Zo hebben groene zwaarddragers (Xiphophorus hellerii) een verspreidingsgebied van 1.100 km lengte dat van het midden van Mexico tot aan Guatemala loopt. Veel andere soorten worden slechts in een beperkt gebied of soms zelfs een enkele bron aangetroffen.

Het feit of een vis in de stroming leeft, zoals de meeste zwaarddragers, of zich tussen de planten ophoudt, zoals de soorten uit het genus Phallichthys en de platy’s, geeft een aquariumliefhebber informatie over de inrichting en grootte van het aquarium. Het noodzakelijke formaat van het aquarium wordt niet alleen bepaald door de grootte van de vis, maar moet de soort vooral de mogelijkheid bieden om haar natuurlijke gedrag te vertonen.

Sommige soorten kunnen zich aanpassen aan zeer extreme omstandigheden. Een voorbeeld hiervan vormen populaties van de molly Poecilia mexicana die zich volledig hebben aangepast aan het leven in grotten. De kleur van deze holenmolly is goudkleurig, de ogen zijn nauwelijks nog ontwikkeld en ze hebben sterk ontwikkelde smaakpapillen. Een proces dat vergelijkbaar is met dat van de karperzalm Astyanax mexicana, waarvan de grotten variant als blinde holenvis af en toe in de handel wordt aangeboden. Veel informatie over levendbarende tandkarpers die onder extreme omstandigheden leven is te vinden op: https://www.sulfide-life.info/mtobler/.

Bij het bespreken van de verspreiding van de levendbarende tandkarpers moet zeker de introductie van een groot aantal soorten buiten het natuurlijk verspreidingsgebied worden genoemd. Een aantal soorten weet zich dusdanig goed aan te passen dat ze op veel plekken kunnen leven. Het bekendste voorbeeld hiervan is het muskietenvisje (Gambusia holbrooki) dat ook in zuidelijk Europa en Noord-Afrika bijna overal wordt aangetroffen. De introductie van deze vis in deze streken had tot doel het bestrijden van malaria en is mede door organisaties als het Rode Kruis uitgevoerd. Tegenwoordig is er bijna geen watertje in deze streken te vinden waar het muskietenvisje niet wordt aangetroffen. Een groot nadeel van deze introductie is dat veel oorspronkelijk soorten, waaronder veel eierleggende tandkarpers, door de nieuwe concurrentie zijn verdwenen.

Daarnaast worden veel soorten verspreid door aquarianen. In Europa zijn op plaatsen waar het water al dan niet kunstmatig warmer is door liefhebbers geïntroduceerde soorten te vinden. Zo is koelwater is op enkele plekken in Europa tegenwoordig een biotoop voor guppen en kunnen in de warmwater bronnen in Budapest molly’s worden gevonden. Over de hele wereld kunnen op plekken met de juiste temperatuur tegenwoordig door aquarianen losgelaten levendbarende tandkarpers worden gevonden. In de Verenigde Staten en Australië kunnen op veel plaatsen onder andere zwaarddragers worden aangetroffen.

In Mexico worden met het vervoeren van Tilapia ook veel levendbarende tandkarpers door het hele land verspreid. Op allerlei locaties worden hierdoor Pseudoxiphophorus bimaculatus en de molly Poecilia mexicana buiten hun oorspronkelijk verspreidingsgebied aangetroffen.

Het introduceren van andere soorten heeft een grote impact op de aanwezige soorten, waaronder ook zeldzame levendbarende tandkarpers, en vormen een grote bedreiging. Niet alleen vormen de nieuwe soorten voedselconcurrenten, ze eten ook de jongen van andere soorten, verstoren soms door hun gedrag het leven van de oorspronkelijk soorten, vormen hybriden met deze soorten en zijn bovendien vaak dragers van ziektes waartegen de oorspronkelijke soorten niet opgewassen zijn.

Het introduceren van andere vissen is niet het enige probleem dat de levendbarende tandkarpers in hun natuurlijke verspreidingsgebied bedreigd. Door vervuiling en uitdroging verdwijnen telkens meer biotopen. Vooral soorten die slechts op een enkele plaats worden aangetroffen, worden bedreigd. Zo zijn de drie soorten platy’s uit het noorden van Mexico (Xiphophorus meyeri, X. gordoni en X. couchianus) zeer bedreigd en is het kweken hiervan in het aquarium van groot belang. Ook veel Gambusia soorten zijn sterk bedreigd of zelfs al uitgestorven. Soms lukt het om een soort nog net voor het uitsterven te behoeden. Dit is met Gambusia gaigei gebeurd, waarvan vlak voor het verdwijnen van het oorspronkelijk biotoop nog enkele exemplaren in het aquarium waren geplaatst. Deze zes vissen hebben de basis gevormd voor alle exemplaren die nog van deze in het aquarium moeilijk te kweken soort aanwezig zijn. Door de vernietiging van het oorspronkelijk biotoop blijkt herintroductie meestal onmogelijk. Het voorkomen van het uitsterven van soorten is dan soms mede afhankelijk van de populaties die in het aquarium worden gehouden en ook aquarianen kunnen hierbij een belangrijke rol spelen.
Voortplanting
Een uitermate interessant aspect van de levendbarende tandkarpers is natuurlijk hun voortplanting. De vrouwtjes werpen volledig ontwikkelde jongen en onderscheiden zich daarmee van de meeste andere aquariumvissen die eierleggend zijn. Het levendbarende zijn is niet uniek in de vissenwereld en heeft zich bij veel groepen vissen ontwikkeld.

Over het algemeen wordt de voortplanting van de levendbarende tandkarpers afgedaan met de term eilevendbarend. De eitjes in het lichaam van de vrouwtjes worden door de mannetjes via hun omgevormde anaalvin (het gonopodium) bevrucht, ontwikkelen zich verder in het lichaam en na een periode van ongeveer vier weken worden volledig ontwikkelde visjes geboren.

Het levendbarend zijn van deze tandkarpers is al meer dan een eeuw onderwerp van wetenschappelijk onderzoek. Het is ondoenlijk om een poging te doen om dit allemaal in dit artikel samen te vatten. Het onderwerp leent zich voor uitgebreide studie en analyses en het aquarium biedt prima mogelijkheden om meer inzicht in dit interessante kenmerk te krijgen. Enkele aspecten die de voortplanting van deze groep vissen zo uniek maken worden aan de hand van sleutelwoorden genoemd.

Een belangrijk verschil tussen de verschillende soorten levendbarende tandkarpers bestaat uit het feit dat bij sommige soorten de jongen in het lichaam van het vrouwtje extra voedsel krijgen toegediend en dat dit bij andere soorten niet het geval is. Bij de laatste groep is het voedsel dat nodig is om van ei tot vis te komen geheel afkomstig uit het ei. Het gewicht van de netgeboren jongen is dan lager dan het gewicht van het oorspronkelijk ei, dit wordt ook wel lecithotrofie genoemd. Enkele soorten waarbij hiervan sprake is, zijn de zwaarddragers en platy’s, de vissen uit het genera Girardinus en Gambusia.

Als de jongen tijdens de ontwikkeling extra voedsel van de vrouwtjes ontvangen, is het gewicht na de geboorte hoger dan dat van het eitje waaruit ze zich hebben ontwikkeld, dit verschijnsel wordt matrotrophie genoemd. Dit verschijnsel treedt onder andere op bij de vissen uit het genus Poeciliopsis, Heterandria formosa en Phalloptychus januarius.

Een ander belangrijk aspect wordt gevormd door het aantal jongen dat per worp wordt geboren. Bij de bekendste levendbarende tandkarpers worden de jongen allemaal in één keer geboren en heeft de ontwikkeling van de gehele worp op hetzelfde moment plaats gevonden. Bij andere soorten is dit niet het geval. De ontwikkeling van de jongen geschiedt niet op hetzelfde moment. In dat geval spreekt men van superfoetatie. In sommige gevallen hebben de vrouwtjes jongen in 5 of meer ontwikkelingsstadia in het lichaam en werpen dan dagelijks 1 tot enkele jongen. Bij het dwergtandkarpertje Heterandria formosa is dit het geval. Bij andere soorten hebben vrouwtjes jongen in twee ontwikkelingsstadia in het lichaam en werpen dan om de twee weken 2 of vier jongen. Dit is vooral bij soorten van het genus Poeciliopsis, zoals Poeciliopsis turneri het geval.

Al deze vormen van voortplanting vormen een specifieke aanpassing op het natuurlijke milieu waarin de soorten voorkomen. Door superfoetatie kan het dwergtandkarpertje relatief grote nakomelingen krijgen, ze hoeft geen grote groep jongen op hun maximale grootte in het lichaam te hebben. Andere soorten zijn hierdoor in staat om zonder een grote lichaamstoename, die belemmerend is en snel stromend, toch grote jongen werpen.

Superfoetatie en het werpen van de jongen in een worp komen allebei in combinatie met lecithotrofie en matrotrophie voor.

Bij alle soorten levendbarende tandkarpers vindt interne bevruchting plaats. Het mannetje bevrucht met het gonopodium de vrouwtjes en brengt op die wijze spermapakketjes over. Deze spermapakketjes slaat het vrouwtje op en één bevruchting kan wel tien worpen jongen opleveren. Het vrouwtje kan ook spermapakketjes van meerdere mannetjes opslaan. De jongen die worden geboren hebben dan niet allemaal dezelfde vader. Aan dit gegeven heeft Phallichthys amates zijn Nederlandse naam ‘lustig weeuwtje’ te danken. Nadat het mannetje dood is, kan het vrouwtje nog vele malen jongen krijgen, wat de indruk wekt dat de weduwe direct in mannetjes van andere soorten een nieuwe partner heeft gevonden.

De relatieve lengte van het gonopodium verschilt sterk tussen de soorten levendbarende tandkarpers. Soorten met een kort gonopodium, zoals soorten uit het genus Poecilia, Xiphophorus en Limia, zijn meer afhankelijk van de medewerking van het vrouwtje omdat ze dicht bij haar moeten komen om haar te bevruchten. Deze dominante mannetjes van deze soorten hebben dan een balts waarbij zij zich op hun best aan de vrouwtjes presenteren. Ook hebben zij vaak secundaire geslachtskenmerken, zoals mooie kleuren, een zwaard, hogere rugvin om de keuze van de vrouwtjes extra in hun voordeel te beslechten. Is het vrouwtje onder de indruk van hun show, dan blijft ze stil hangen en kan door de mannetjes worden bevrucht. De fraaiere mannetjes moeten echter steeds rekening houden met minder fraai gekleurde mannen die door middel van stiekeme paringen proberen om de vrouwtjes te bevruchten en hier ook regelmatig in slagen.

Mannetjes met een lange gonopodium, zoals de soorten uit de genera Phallichthys en Poeciliopsis, besteden minder tijd aan de balts. Zij zijn in staat om hun geslachtsorgaan zo ver naar te draaien, dat ze het topje kunnen zien en daarmee minder afhankelijk zijn van de medewerking van het vrouwtje aan de paring. De mannetjes van deze soorten baltsen dan ook niet voor de vrouwtjes en verschillen qua lichaamsvorm en andere kenmerken nauwelijks van de vrouwtjes.

Het onderscheid tussen mannetjes en vrouwtjes is bij levendbarende tandkarpers altijd eenvoudig vast te stellen. De mannetjes hebben altijd de tot gonopodium omgevormde aarsvin. Ook zijn de mannetjes over het algemeen kleiner dan de vrouwtjes. Nadat de mannetjes geslachtsrijp zijn, stopt hun groei, terwijl de vrouwtjes nog geruime tijd groeien.
Verzorging en kweek
Het is niet mogelijk om hier voor alle soorten levendbarende tandkarpers een generieke aanpak te geven. Het oorspronkelijke biotoop speelt hierbij een belangrijke rol. De afmetingen van het aquarium moeten aansluiten bij het feit of de soort afkomstig is uit stilstaand of stromend water.

Ook de optimale temperatuur wordt bepaald door het oorspronkelijke verspreidingsgebied van de soort. Veel van de uit Haïti en de Dominicaanse Republiek afkomstige Limia’s hebben een hogere temperatuur nodig dan de uit de Mexicaanse Río Panuco afkomstige kleinere zwaarddragers, zoals de montezuma-zwaarddrager (Xiphophorus montezumae) en de cortez-zwaardrager (Xiphophorus cortezi) waarvan de mannetjes een zeer lang zwaard hebben.

Het voedsel is tevens afhankelijk van de soort. Hoewel een groot aantal soorten omnivoor is en niet zoveel eisen aan het voedsel stelt, is er ook aantal voedselspecialisten aanwezig. De vissen uit het genus Brachyrhaphis zijn bijvoorbeeld allemaal carnivoren en het voedselaanbod moet hier dan ook op worden aangepast. De meest extreme vorm is het levendbarend snoekje (Belonesox belizanus) dat alleen levend voer eet. De netgeboren jongen van deze soort zijn goed te voeren met allerlei klein levend voer als muggenlarven en daphnia’s. Voor de grote vissen zijn levende vissen echter het aangewezen voer. Daarmee is de grootste levendbarende tandkarper alleen geschikt voor gespecialiseerde liefhebbers.

Veel soorten zijn echter eenvoudig houdbaar en doen het prima in het gezelschapsaquarium. Men moet rekening houden dat de vaak in de aquariumwinkel aangeboden kweekvormen een hogere temperatuur nodig hebben dan de wildvormen. Een gemiddelde temperatuur van rond de 25°C is over een langere duur te hoog voor de meeste soorten. Een aquarium op kamertemperatuur is voor veel soorten ook geschikt.

Een belangrijke eis, die overigens ook voor andere aquariumvissen geldt, is dat het noodzakelijk is om regelmatig een deel van het aquariumwater te verversen. Een punt om rekening mee houden is dat er eenvoudig bastaarden ontstaan tussen verschillende soorten levendbarende tandkarpers. Om dit te voorkomen kan men het beste niet twee soorten uit hetzelfde genus in één aquarium houden. De kans dat dan een groep ondefinieerbare vissen over blijft is dan zeer groot.

Veel soorten vermeerderen zich eenvoudig onder aquariumomstandigheden en op het moment dat in het aquarium voldoende schuilplaatsen aanwezig zijn, blijft er altijd een aantal jongen over. Door dit feit is het beeld ontstaan dat levenbarende tandkarpers eenvoudig te kweken zijn en dat het krijgen van de grote hoeveelheid jongen een probleem vormt. Voor een aantal van de bekendere soorten en dan vooral de kweekvormen gaat dit zeker op, maar voor veel soorten is een aparte kweekbak waarin aan de specifieke eisen wordt voldaan noodzakelijk. Zelfs dan komt het regelmatig voor dat de nakweek niet lukt of dat na een goede start met wildvang dieren het niet lukt om de soort verder te vermeerderen. Een lastige groep vormen in dit opzicht de molly’s. Van de prachtige kleuren die de dominante mannetjes in de natuur hebben blijft in het aquarium al snel niks meer over en ook blijkt het vaak zeer moeilijk om de oorspronkelijke grootte vast te houden. Een goed voorbeeld hiervan vormt de kleinere blijvende uit Mexico afkomstige Poecilia chica. In de natuur worden van deze soort prachtige mannetjes met een lengte van 6 cm gevangen. De nakweek mannetjes bereiken echter slechts de helft van dit formaat en bij hen ontbreken dan ook nog de fraaie kleuren. Een oorzaak van dit feit is nog niet gevonden.

Andere soorten blijken niet of nauwelijks te kweken of de kweek vraagt enorme veel aandacht. Vooral soorten uit het genus Gambusia blijken keer op keer lastig te kweken. Zelfs het bekende muskietenvisje (Gambusia holbrooki) dat zich in de natuur aan allerlei omstandigheden dusdanig goed weet aan te passen dat ze als een plaag wordt gezien, is in het aquarium niet altijd eenvoudig te kweken.

Bijkomend probleem is verder nog dat de meeste soorten niet verkrijgbaar zijn of slechts heel af en toe door gespecialiseerde liefhebbers worden geïmporteerd. Dat is op zich jammer, want veel andere soorten uit dit genus mooi gekleurd of hebben een interessante tekening. Ook zijn zij lang niet allemaal zo agressief als het muskietenvisje.

De soorten die in de aquariumwinkel worden aangeboden zullen normaal gesproken goed geschikt zijn voor het gezelschapsaquarium. Veel andere soorten die hiervoor ook in aanmerking komen en qua uiterlijk ook zeker de moeite waard zijn, zijn slechts bij via gespecialiseerde liefhebbers verkrijgbaar. Binnen Nederland zijn deze liefhebbers georganiseerd in Poecilia Nederland (www.poecilia.nl). Hier kunt u naast veel verdere informatie over levendbarende tandkarpers ook veel natuurlijk vormen van deze interessante vissen bemachtigen.

Enkele interessante soorten voor het gezelschapsaquarium zijn:
Priapella olmecae
De Olmeken blauwoog (Priapella olmecae) Deze soort behoort net als de bekendere Priapella intermedia tot de levendbarende blauwoogjes en is afkomstig uit de omgeving van het Catemaco meer in de Mexicaanse staat Veracruz. Deze soort houdt zich op in de bovensten waterlagen en heeft een voorkeur voor dierlijke kost. Ze worden maximaal 7 centimeter groot en naast de kenmerkende blauwe ogen vallen vooral de oranje randen aan de vinnen op. Een water temperatuur van rond de 22°C is voldoende. Voor de pasgeboren jongen moeten er voldoende schuilplaatsen aan het wateroppervlak aanwezig zijn, anders dienen ze als voer voor de grotere vissen. De Olmeken blauwoog voelt zich het beste op zijn gemak als hij in een groep van rond minimaal 6 vissen wordt gehouden.
Phallichthys fairweatheri
Een vredelievend visje dat nauwe verwant is aan de bekendere Phallichthys amates. Het houdt zich vooral tussen de planten op en maakt daarom een wat schuwe indruk. Door de fraaie blauwe glans, de hoekige bouw en het kenmerkende zwarte randje rond de rugvin, is het een decoratieve aquariumbewoner. Alle voer wordt graag genomen. In het leefgebied in het zuidoosten van Mexico, Belize en Guatemala is de watertemperatuur af en toe hoog en een temperatuur van rond de 25°C is voor deze vissen goed.
Limia perugiae
Deze uit Hispaniola afkomstige soort behoort met een maximale lengte van 8 cm tot de grotere soorten uit het genus Limia. Een aquarium met een minimum lengte van 100 cm is dan ook noodzakelijk om de soort goed tot haar recht te laten komen. De dominantie mannetjes zijn fraai gekleurd en continue bezig om indruk te maken op de vrouwtjes en concurrerende mannetjes te verjagen. De soort is erg vruchtbaar en de netgeboren jongen zijn te herkennen aan de bij het genus Limia aanwezig zwarte punt in de rugvin. Het zijn omnivoren die geen specifiek voedsel vereisen, gevarieerde voeren is daarbij echter wel noodzakelijk. Als de soort wordt samengehouden met andere soorten uit het genus Limia, ontstaan snel hybriden.
Girardinus uninotatus
Net als het bekendere metaaltandkarpertje (Girardinus metallicus) is deze soort afkomstig van Cuba. Door zijn opvallende gele basiskleur en de kenmerkende zwarte vlek op het lichaam is het een aantrekkelijke aquariumvissen. Het zijn vissen die het beste in een groep kunnen worden gehouden en een aquarium met een minimale lengte van 70 cm nodig hebben. De mannetjes van deze soort hebben een lang gonopodium met een uit haken bestaande punt. Deze haken spelen een belangrijke rol bij de voortplanting en kunnen bij het uitvangen in het net blijven hangen, waardoor beschadiging op kan treden. De soort is erg vruchtbaar en bij het ontbreken van natuurlijk vijanden bestaat de kans dat een overschot ontstaat.
Xiphophorus montezumae
De montezuma zwaarddrager (Xiphophorus montezumae) De mannetjes van deze soort hebben voor de zwaarddragers het relatief langste zwaard en er zijn populaties bekend waarvan het zwaard bijna driemaal de lichaamslengte bereikt. Dit maakt deze soort tot een prachtig blikvanger in het aquarium. De soort leeft in de middelste waterlagen en het beste kunnen wat extra vrouwtjes in het aquarium worden geplaatst. De soort is niet heel erg vruchtbaar en het is noodzakelijk om voldoende schuilplaatsen in het aquarium te houden., zodat een aantal jongen op kan groeien. De soort heeft helder water nodig, waarvan de temperatuur rond de 20°C ligt. Een veel hogere temperatuur wordt over een langere tijd niet goed door deze kleine zwaarddrager verdragen.

© 2018-2020 Poecilia.nl All Rights Reserved. Webmaster Marco Goeman
nlenfrdept
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account

X

.

© poecilia.nl