De fraaiste Priapella (Priapella olmecae)
Meyer & Perez, 1990
Priapella olmecae ♂
Priapella olmecae ♂ & ♀
Rio de Basura
Rio de Basura
Tekst
Kees de Jong
Foto's
Kees de Jong
Geplaatst
27 februari 2019
Het genus Priapella bevat enkele van de fraaiste levendbarende tandkarpers. Hoewel Priapella’s niet vaak worden gehouden, zijn het ideale bewoners voor een gezelschapsaquarium. Het zijn scholenvissen die de bovenste waterlagen bewonen en meteen opvallen door hun fraaie blauwe oog. Vanwege dit kenmerk worden ze ook wel levendbarende blauwoogjes genoemd. De bekendste soort is Priapella intermedia. Een soort die vroeger als zeer moeilijk te houden en te kweken werd beschouwd, maar die tegenwoordig minder problemen geeft.
Het genus Priapella
Dit uit het zuidoosten van Mexico afkomstige genus werd in 1913 door Regan beschreven. Het meest kenmerkende aan de vissen uit dit genus is de vrij primitieve bouw van het gonopodium. Regan richtte het genus op aan de hand van de 1904 door Meek beschreven Gambusia bonita. Deze soort is al jarenlang niet meer gevangen en men gaat er van uit dat zij of uitgestorven of zeer zeldzaam is (Meyer & Perez 1990). Lange tijd was dit de enige soort van het genus. Twee andere soorten die werden beschreven zijn Priapella compressa Alvarez, 1948 en Priapella intermedia Alvarez, 1952.

In 1990 beschreven Meyer en Perez Priapella olmecae (de olmecae-blauwoog) als de vierde soort binnen het genus. Ze noemden de soort naar de Olmeken, een indianenstam die in Mexico voor de komst van de Spanjaarden leefden. Ze worden gezien als één van de oudste volken die in de periode van 1500 tot 474 v. Chr. actief zijn geweest aan de zuidkant van de Golf van Mexico, de huidige staten Veracruz en Tabasco. Waarom deze cultuur rond 425 v. Chr. ten einde kwam is niet bekend (Houben, 1992). Uit één steen gehouwen reuzenkoppen met soms een hoogte van 2,85 meter herinneren nog aan de vroegere aanwezigheid van de Olmeken in deze streek.

Het genus Priapella wordt beschouwd als een zustergenus van Xiphophorus. Dit was voor Basolo (1995) de reden om na te gaan of er bij de vrouwtjes uit het genus Priapella, net als bij enkele soorten uit het genus Xiphophorus, een voorkeur voor een zwaard zoals de zwaarddragermannetjes dit hebben bestaat. Om dit na te gaan plaatste ze vrouwtjes van Priapella olmecae in het middelste van een in drie compartimenten verdeeld aquarium. In de buitenste plaatste ze mannetjes. Het ene mannetje werd voorzien van een kunstmatig zwaard, het andere mannetje had de normale staartvin. Door over langere tijd bij te houden hoe de vrouwtjes zich ten opzichte van de twee verschillende mannetjes gedroegen werd duidelijk dat ook de vrouwtjes van deze Priapella een voorkeur hebben voor mannetjes met een zwaard. Bovendien bleek het zo te zijn dat een langer zwaard een grotere aantrekkingskracht op deze vrouwtjes had. Hoewel dergelijke resultaten in een experimentele situatie verkregen kunnen worden, blijkt deze voorkeur van de vrouwen in de natuur verder geen gevolgen te hebben. Het experiment staat geheel op zich zonder dat de resultaten worden doorgetrokken naar de normale situatie. In de natuur komen Priapella olmecae en de van een zwaard voorziene mannetjes van de groene zwaarddrager vaak samen voor. Als de vrouwtjes een voorkeur hebben voor mannetjes met een zwaard, zijn er blijkbaar toch factoren die zwaarder wegen. De mannetjes van P. olmecae worden niet verdrongen door de zwaarddragers. Factoren als balts, gonopodiumvorm, plaats in het stroompje etc. zijn in het onderzoek helaas niet meegenomen. Het enige dat dan over blijft is de voorkeur in een experimentele setting.
Biotoop
Priapella olmecae wordt alleen in kleine stroompjes ten noorden van het Catemaco meer in de richting van het plaatsje Playa Escondida aangetroffen. Meyer & Pérez noemen de Rio de la Palma en de Rio Agua Fria als plaatsen waar de soort aanwezig is.

Tijdens mijn bezoek aan Mexico in 1996 ging ik samen met André Schonewille, Liekele Sijstermans en Tim Bollick op zoek naar Priapella olmecae. Het plaatsje Playa Escondida was eenvoudig op de kaart te vinden en vanuit Catemaco reden we langs het gelijknamige meer in de richting van de kust. In eerste instantie lijkt het alsof de wegenkaart van Mexico niet erg gedetailleerd is. Zodra we echter begonnen te rijden, werd duidelijk dat zelfs onverharde wegen zijn aangeven. De onverharde weg naar de kust bleek echter in een redelijke staat. Onze VW-bus kon zonder problemen de slingerende route nemen. De weg was aan beide kanten omgeven door bos met hier en daar een open plek. Na een tocht van een klein half uurtje kwamen we het eerste stroompje van betekenis tegen. In eerste instantie dacht ik dat het hier om de Rio de la Palma ging. Eén van de stroompjes waar P. olmecae voor het eerst is gevonden. Pas later kwam ik er achter dat het niet om deze rivier ging. Volgens de plaatselijke kinderen is de naam de Rio de la Basura (de rivier van het vuilnis).

Het riviertje was aan het eind van de droge tijd toen wij het bezochten maximaal ongeveer 3 meter breed en had een diepte van maximaal 80 cm. De bedding bestond uit rolkeien waarvan de grootste gedeeltelijk boven het water uitstaken. Waterplanten waren niet aanwezig. Het langzamer stromende deel vlak bij de betonnen brug werd door paarden en koeien als waadplaats gebruikt. Naast het riviertje bevond zich een eenvoudig Mexicaans huisje. De bewoners gebruikten het riviertje als wasplaats. De aanwezige kinderen kwamen meteen kijken wat er allemaal aan de hand was. Met stijgende verbazing keken ze toe hoe we druk in de weer gingen met onze netten. Al snel werd duidelijk dat ze erg handig waren in het vangen van vissen. Met behulp van een aquariumnetje dat we ze hadden gegeven, vingen ze al snel enkele grote cichliden. Tot hun grote verwondering waren we meer geïnteresseerd in de kleinere visjes.

Na enkele halen met onze netten vingen we enkele exemplaren van de gezochte Priapella’s. Het was tussen de stenen niet altijd even eenvoudig was om het net te hanteren en de soort kwam ook niet in grote hoeveelheden voor. Het duurde dan ook even voordat we voldoende exemplaren hadden. Stroomafwaarts lagen er minder stenen in het water en daar hadden we het meeste succes. Enkele Engelsen die dezelfde rivier eerder hadden bezocht vertelden me dat ze geen enkele Priapella in dit riviertje hadden kunnen vangen. Andere levendbarende tandkarpers die we in het riviertje vingen waren: Pseudoxiphophorus bimaculatus, groene zwaarddragers (X. helleri) en de molly Poecilia mexicana mexicana.

Nadat we voldoende vissen mee hadden gevangen en deze allemaal apart in een plastic zak hadden verpakt, maakten we ons weer op om dit fraaie biotoop te verlaten. Enkele plaatselijke boeren die op hun paarden voorbij kwamen, maakten nog een praatje. Nadat we de kinderen als dank nog een zakje echte Hollandse drop hadden gegeven, dat aan hun gezichten te zien voor hun een nieuwe smaaksensatie was, vertrokken we weer.

De vissen werden bijna twee weken later in het aquarium los gelaten. Tijdens de reis werd er wel elke dag lucht en regelmatig water ververst. Om vervuiling van het water te voorkomen, werd er niet gevoerd. Alle Priapella’s overleefden de reis, enkele vrouwtjes hadden tijdens de reis in het plastic zakje.zelfs nog jongen geworpen.lit. Cras rutrum in orci sit amet rutrum. Nunc blandit rhoncus consequat. Donec sodales enim et felis commodo, eget posuere turpis fringilla.
Uiterlijk en gedrag
De olmeca-blauwoog heeft een hoge lichaamsbouw en een bovenstandige bek. De ongepaarde vinnen bezitten een fraaie oranje rand. Het lichaam lijkt in eerste instantie niet gekleurd, maar bij een juiste lichtinval heeft een paarsblauwe glans. De iris is, net als bij de andere leden van het genus Priapella, blauw van kleur. Naast deze kenmerkende blauwe ogen bevindt zich ook op het kieuwdeksel een blauwe vlek. De vrouwtjes kunnen ongeveer zes cm groot worden, de mannetjes blijven ongeveer een centimeter kleiner.

De soort houdt zich op in de buurt van het wateroppervlak en gaat bij voorkeur in een school in de stroming zwemmen. Het is dan ook aan te raden om in het aquarium te zorgen voor enige stroming. Het is een typische scholenvis die het in een groep van minimaal acht stuks het best tot zijn recht komt.

Over het algemeen zijn het levendige zwemmers die het wateroppervlak goed in de gaten houden. Elke beweging wordt gesignaleerd en nader bestudeerd. Het zijn goede springers, zodat het noodzakelijk is om er voor te zorgen dat ze niet het aquarium uit kunnen springen.

Tijdens de balts zwemmen de mannetjes zigzaggend voor de vrouwtjes langs, zodat beide zijden van het lichaam aan het vrouwtje worden getoond. Tijdens dit gedrag worden de vinnen gespreid en wordt het gonopodium af en toe naar voren gedraaid. Indien het vrouwtje bereid is om te paren, blijft ze bewegingsloos in het water hangen, zodat het mannetje haar kan bevruchten. Hierbij wordt bijna een koprol gemaakt, zodat de kop in de richting van de staart van het vrouwtje is. Vrouwtjes die niet bereid zijn om te paren zwemmen weg of drukken zich tegen de bodem aan.
Verzorging en kweek
Voor de verzorging is het verstrekken van goed voer in ruime hoeveelheden van groot belang. Het voer wordt voornamelijk van het oppervlak genomen en slechts bij hoge uitzondering wordt op de bodem gevallen voer opgegeten. Het zijn echte insecteneters en fruitvliegjes zouden eigenlijk een onderdeel van het menu uit moeten maken. Bij het op het water strooien van fruitvliegjes ontstaat er meteen een enorme aktiviteit in de groep. De ene na de andere vis zwemt met grote snelheid naar het oppervlak om het voer te pakken. Hierbij spat het water letterlijk hoog op en komen de vissen uit het water om hun magen te vullen. Ook ander voer zoals muggenlarven, watervlooien etc. wordt goed gegeten. Hoewel droogvoer ook niet wordt versmaad, kan het slechts als afwisseling op het menu dienen. Het lijkt wel of de Priapella’s onverzadigbaar zijn en de hele dag behoefte aan voer hebben!

Aangezien het levendige zwemmers zijn die in een redelijke groep gehouden moeten worden, is een aquarium met een lengte van 100 cm noodzakelijk. Enkele planten aan de zijkant kunnen als toevluchtsoord dienen voor de vissen die zich even uit de school terug willen trekken.

Ten opzichte van andere vissen is de olmeca-blauwoog niet agressief en hij is dan ook prima samen te houden met andere soorten. Hun bijna onstilbare honger zorgt er wel voor dat ze alles wat op eerste gezicht eetbaar lijkt proberen te verorberen. Jonge vissen die zich in de bovenste waterlaag ophouden maken dan ook niet veel kans om de eerste weken te overleven. Aangezien de aandacht voor voedsel voornamelijk naar het oppervlak is gericht, maken jonge vissen die de eerste weken in de buurt van de bodem doorbrengen wel een kans.

Het feit dat jonge vissen snel worden opgegeten vormt ook een probleem bij de kweek van de soort. De pasgeboren jongen met hun fraaie blauwe oogje hebben de neiging om zich in de buurt van het oppervlak en dan nog het liefst enigszins in de stroming op te houden. Hierdoor vallen ze snel ten prooi aan de volwassen vissen. Lambert (1997) geeft aan dat hij vrouwtjes isoleert in een kleiner bakje en op die manier een aantal jongen overhoud. Bij mij was deze aanpak tot nu toe geen onverdeeld succes, het kwam regelmatig voor dat ik ook dan geen jong kon ontdekken of dat er enkele jongen dood op de bodem lagen. Als het echter goed gaat, is het wel de manier om veel jongen van een worp over te houden. Een reden waarom ik af en toe wel vrouwtjes apart zet. Hoewel de vrouwtjes niet enorm dik worden zijn ze als ze op het punt staan om jongen te werpen wel te herkennen. Zoals Lambert reeds aangeeft is het van bovenaf bekijken van de vissen hiertoe een mogelijkheid, maar ook ‘door de voorruit’ is de aanwezigheid van jongen in de buikholte van de vrouwtjes zichtbaar. De buik vertoont dan enkele rondingen die op de aanwezigheid van bijna volgroeide jongen duiden. De beste kweekresultaten heb ik behaald door regelmatig te controleren of er jongen aanwezig zijn en deze meteen apart te zetten. Daarna zijn de jongen eenvoudig op te kweken met artemia- nauplien, gezeefde watervlooien en cyclops. Zodra de jongen groot genoeg zijn kunnen ze bij de oudere dieren in hetzelfde aquarium worden geplaatst. Het werpen van jongen gaat met intervallen, dan kom ik enkele maanden geen jong tegen om vervolgens regelmatig jongen uit het aquarium te kunnen halen. Voor zover ik heb kunnen beoordelen is de soort niet erg vruchtbaar. Het maximale aantal jongen ligt rond de 25 per worp. Aangezien de jongen net als hun grotere soortgenoten een snelle stofwisseling hebben, is het noodzakelijk om regelmatig water te verversen.

Hoewel de kweek enige extra aandacht en mogelijk wat geëxperimenteer met de inrichting van het aquarium om de jongen een grotere overlevingskans te geven vraagt, loont het zeker de moeite om deze zeer fraaie levendbarende tandkarper te houden en te kweken. Het is een vis die in geen enkel aquarium misstaat en bij een juiste lichtinval tot de fraaiste aquariumbewoners behoort.
Literatuur
Dit artikel is eerder verschenen in Poecilia Nieuws nummer 3 in 1998
Meyer, M.K. & Pérez, H.E. 1990 Priapella olmecae sp.n., a new species from Veracruz (Mexico) Zoologische Abhandlungen Staatliches Museum für Tierkunde Dresden 12 blz. 121-126
Basolo, A.L. 1995 Phylogenetic evidence for the role of a pre-existing bias in sexual selection XXXX blz. 307-311
Lambert, D. 1997 The livebearer world Tropical Fish Hobbyist November blz. 128-132
Houben, A. 1992 Mexico Uitg. J.H. Gottmer - Haarlem

© 2018-2019 Poecilia.nl All Rights Reserved. Webmaster Marco Goeman
nlenfrdept
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account