Een zeldzaam levendbarend tandkarpertje (Scolichthys iota)
Rosen, 1967
landkaart
Tekst
Kees de Jong
Foto's
Marco Goeman
Geplaatst
8 februari 2019
De levendbarende tandkarpers komen voor van het zuiden van de Verenigde Staten tot in Argentinië. De meeste levendbarende tandkarpers leven in Mexico. Ook in het ten zuiden van Mexico gelegen Guatemala komen veel levendbarende tandkarpers voor. Door de geologische bewegingen die miljoenen jaren geleden hebben plaatsgevonden, zijn vooral in Guatemala verschillende waterstroomgebieden van elkaar geïsoleerd geraakt. In deze gebieden zijn nieuwe soorten ontstaan. DON ERIC ROSEN heeft in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw uitgebreid onderzoek naar de levendbarende tandkarpers gedaan en ook de soorten uit Guatemala onder de loep genomen.

In 1967 beschreef ROSEN het genus Scolichthys met twee soorten die in dit genus thuishoorden: Scolichthys greenwayi en S. Iota. Op basis van het skelet en de tanden onderscheiden deze vissen zich al in belangrijke mate van andere soorten. Het belangrijkste verschil was voor ROSEN echter de vorm van de tot mannelijk geslachtsorgaan omgevormde aarsvin (het gonopodium). Deze is ongeveer 40% van de lichaamslengte en heeft een opvallende uitstekende stekelachtige verlening. Scolichthys is een samenvoeging van het Griekse “skolos”, dat doorn of stekel betekent en “ichthys” (vis).
Grootte
In zijn beschrijving geeft ROSEN (1967) aan dat het om een zeer kleine soort gaat. Als lengte voor de mannetjes geeft hij 15 mm en met 22 mm zijn ook de vrouwtjes klein te noemen. Hij vond dit kenmerk zo opvallend dat hij de soortnaam ‘iota’ koos. Dit is de ‘i’, de kleinste letter in het Griekse alfabet. In het aquarium kunnen de vissen groter worden. Een mannetje van bijna 4 cm en een vrouwtje van 5 cm komen voor. Mogelijk heeft dit te maken met de grotere hoeveelheid voedsel die de vissen in het aquarium krijgen. De meeste mannetjes zijn beduidend kleiner en blijven in de buurt van de door ROSEN aangegeven grootte. Het lijkt alsof er twee typen mannetjes zijn; grote en kleine. Tussenmaten heb ik niet kunnen zien.
Temperatuur
Hoewel de temperatuur in het natuurlijke verspreidingsgebied tussen de 22 en de 25ºC schommelt, is S. iota bestand tegen lagere temperaturen. Een temperatuur van 16ºC is ook over een langere periode geen probleem. De vissen worden wel minder actief en de kweek stopt. Als de temperatuur weer in de buurt van de 20ºC komt, worden er weer jongen geboren. Tijdens de rustperiode eten de visjes minder en moet worden voorkomen dat voer op de bodem blijft liggen. De waterkwaliteit kan dan snel achteruit gaan. Eenmaal per week een groot deel van het water verversen zorgt voor een grotere vitaliteit.
Verspreiding
De soorten uit het genus Scolichthys worden nauwelijks in het aquarium gehouden. Ruim twintig jaar geleden (DE JONG, 1995) werd S. greenwayi af en toe door gespecialiseerde liefhebbers gehouden. Bijna 20 jaar later kwam S. iota voor het aquarium beschikbaar. De soort leeft in een geïsoleerd gebied dat zelden door verzamelaars wordt bezocht en werd niet eerder levend ingevoerd.

Deze levendbarende tandkarper komt alleen voor in de Río Chajmaic, onderdeel van het Rio Usumacinta stroomgebied in de staat Alta Verapaz in Guatemala en dan met name in de Río Semococh. Door een bergrug wordt dit deel van de rivier van de hoofdstroom afgesneden, waardoor er een geïsoleerd gebied is ontstaan. De informatie over dit gebied heb ik van KLAUS SCHNEIDER gekregen. Hij heeft dit gebied zo’n vijftien jaar geleden enkele malen bezocht.

Naast S. iota komt in dit gebied nog een aantal soorten endemisch voor. De levendbarende tandkarpers Xiphophorus signum ROSEN & KALLMAN, 1969 en Pseudoxiphophorus diremptus (ROSEN, 1979) en een tot de karperzalmen behorende Bramocharax-soort. Verder nog onder andere: de killi Cynodontichthys tenuis, de karperzalm Astyanax aeneus, een grondel uit het genus Leptophylipnus, de meerval Rhamdia guatemalensis en de cichliden Chuco intermedius en Parachromis friedrichsthalii. Naast deze vissen ook nog garnalen uit het genus Macrobrachium en kreeften uit het genus Procambarus.

De waterplanten in deze stroom waren Ludwigia cf repens, Pontederia rotundifolia, de mossoort Foninalis sp. en hoornblad. S. iota leeft in kleine groepjes tussen het riet en de planten aan de oevers, waar de stroming minder sterk is. De soort kon niet altijd in dit gebied worden gevangen. Ze komen niet massaal voor.

Vanaf 2004 zijn er ook Afrikaanse tilapia’s (Oreochromis spec.) gevangen en sindsdien lijkt het aantal S. iota, P. diremptus en X. signum te zijn afgenomen. Of hier sprake is van een oorzakelijk verband moet nog worden vastgesteld. Ik heb niet de beschikking over recentere gegevens en kan niet aangeven of deze ontwikkeling zich heeft voortgezet.

De watertemperatuur is tussen de 22 en 25ºC. De overige waarden die zijn gemeten: pH 7,5, de KH 8,5º, de GH 11º en de elektrische geleidbaarheid rond de 280 μS.
Uiterlijk
Op de bovenkant van het slanke lichaam bevindt zich een nettekening en de buikzijde is licht van kleur. Soms neigt deze naar goudkleurig. Het zijn geen spectaculair gekleurde visjes en de meeste opvallende kenmerken bestaan uit een donkere tekening. Midden op het lichaam is een donkere vlek aanwezig. Deze vlek is een kenmerk dat S. iota met zijn verwant Scolichthys greenwayi gemeen heeft. Afhankelijk van de stemming van de vissen zijn er nog vier tot elf zwarte bandjes op de zijkant van het lichaam zichtbaar. Het komt echter regelmatig voor dat deze tekening niet zichtbaar is. Boven de aarsvin van de vrouwtjes is een zwarte vlek aanwezig. In de rugvin bevinden zicht twee zwarte bandjes. Het opvallend gevormde gonopodium van de mannetjes is lang en komt bijna tot aan de staartwortel. Rug- en staartvin kunnen een gele glans hebben. Bij een juiste lichtinval hebben de vrouwtjes een mintblauwe rand aan de aarsvin.
Kweek
In een dichtbeplant aquarium vermeerdert de soort zich goed. Ik heb het idee dat de vrouwtjes niet veel jongen werpen, maar tussen de planten overleeft altijd een groot deel van de kleine jongen. De grote vissen eten ze niet op en het is dan ook niet nodig om vrouwtjes apart te zetten. Ze zijn prima in een groep te kweken. Bij het kweken in een groep is het altijd van belang dat de groep visjes van verschillende grootte bevat.

De kweek ging bij mij altijd voorspoedig en ik ben in de afgelopen jaren vaak in staat geweest om andere liefhebbers dit visje te geven. Soms plaats ik de visjes in een ander aquarium. Mijn ervaring is dat dit bij veel soorten een positief effect heeft. Ondanks mijn goed zorgen heb ik een paar keer een dip in het houden van de soort meegemaakt. Deels was dit te wijten aan het feit dat ik teveel vissen had weggeven en achterbleef met te weinig vrouwtjes. Maar ook is het voorgekomen dat de kweek op onverklaarbare reden stokte. Gelukkig kon ik van andere liefhebbers enkele visjes krijgen en deze aan mijn bestand toevoegen. FOKKO PADMOS en KAY URBAN hebben mij in het verleden van een aanvulling op mijn bestand voorzien en mij in staat gesteld de soort in stand te houden.

Net als de meeste soorten levendbarende tandkarpers met een lang gonopodium, hebben de mannetjes van S. iota geen balts. Het lange gonopodium zorgt er voor dat ze minder afhankelijk zijn van de medewerking van de vrouwtjes bij de bevruchting dan mannetjes met een kort gonopodium. Het mannetje is in staat de punt van het gonopodium te zien en op die manier het vrouwtje te bevruchten. De zwarte vlek die de vrouwtjes boven de aarsvin hebben, helpt de mannetjes bij het richten van hun geslachtsorgaan. De mannetjes maken een onvermoeibare indruk en proberen continue om vrouwtjes te bevruchten. Hierbij benaderen ze het vrouwtje van onderen. Het komt vaak voor dat meerdere mannetjes achter hetzelfde vrouwtje aanjagen en dat het wegjagen van de concurrentie zoveel aandacht kost dat ze het vrouwtje vergeten.
Voedsel
Al het voer wordt zonder problemen gegeten, maar gezien de geringe afmetingen van de visjes moet dit niet te groot zijn. Net als bij alle andere soorten is variatie wel van belang. Artemia naupliën, cyclops en bijvoorbeeld micro-aaltjes vormen een prima aanvulling op fijn droogvoer.
Overig
In mei 2005 kreeg ik in Wenen dit visje van STEPHAN KARLICK en de nakomelingen van deze groep heb ik nu nog steeds. 

De soort heeft een eigen aquarium nodig om goed tot haar recht te komen en zich voort te planten. Samenhouden met andere meestal grotere soorten is voor de kleine S. iota een risico. Enkele kleine pantsermeervallen of garnaaltjes kunnen als gezelschap dienen.

Aangezien de vissen voornamelijk tussen de planten leven en geen grote zwemmers zijn, is een aquarium van 40 cm voldoende. De randen kunnen worden beplant en voorin kan zwemruimte vrij worden gehouden.

S. iota is een levendig visje dat het waard is om in een klein aquarium gehouden te worden. In de reguliere aquariumhandel is dit visje niet te vinden, maar binnen gespecialiseerde verenigingen wordt ze op dit moment gehouden. Het loont de moeite om daar een poging te wagen om dit visje te bemachtigen.
Literatuur
J.J. DE GREEF (1995): Xenodexia ctenolepis HUBBS, 1950, een enigma onder de Poeciilidae. Poecilia Nieuws (1): 11-18
K. JAKOBS (1979): Klein, hübsch und selten: Scolichthys greenwayi und iota. Aquarien Magazin (7): 353-353
K. DE JONG (1995): Bekend en onbekend, het genus Scolichthys. Poecilia Nieuws (5): 92-97
K. DE JONG (1997): Wie is de kleinste. Poecilia Nieuws (4): 68-70
D.E. ROSEN (1967): New Poeciliid fishes from Guatemala, with comments on the origins of some South and Central American forms. American Museum Novitates (2303): 1-15
D.E. ROSEN (1979): Fishes from the uplands and intermontane basins of Guatemala: revisionary studies and comparative geography. Bulletin of the American Museum of Natural History (162): 269-375
K. SCHNEIDER & K. DE JONG (2006): Scolichthys iota ROSEN, 1967. Poecilia Nieuws (4): 11-15

 

 
© 2018-2019 Poecilia.nl All Rights Reserved. Webmaster Marco Goeman
nlenfrdept
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account