Twee grote Limia soorten
Limia perugiae ♂ & ♀
Limia perugiae ♂ Las Marias
Limia vittata ♂ & ♀
Tekst
Kees de Jong
Foto's
Juan Carlos Merino & Leo van der Meer
Geplaatst
31 januari 2019
Het genus Limia bevat enkele zeer aantrekkelijke levendbarende aquariumvissen, die helaas niet vaak in de reguliere aquariumhandel verkrijgbaar zijn. Op zich is dit jammer want ook voor het gezelschapsaquarium zijn de meeste van de vissen uit deze groep uitstekend geschikt. De enige soorten die af en toe worden aangeboden zijn de bultrug-Limia (L. nigrofasciata) en de zwartbuik-Limia (Limia melanogaster). Deze soorten zijn reeds jarenlang ideale aquariumbewoners gebleken, die ook door niet in levendbarende tandkarpers gespecialiseerde liefhebbers op prijs worden gesteld.
Het genus Limia Poey, 1854
De naam Limia is afgeleid van het Spaanse woord ‘limus’ dat leem betekent. Dit verwijst naar de bodem van het biotoop van L. vittata in Havanna, Cuba. Op dit moment kent het genus 17 soorten waarvan een groot aantal nooit in de aquariumhobby is gehouden. Hoewel het genus op dit moment weer als zelfstandig wordt beschouwd, werd het een tijdlang als onderdeel van het genus Poecilia gezien. In oudere literatuur kunnen de soorten dan ook vaak onder deze genusnaam worden aangetroffen. De Limia-soorten zijn te herkennen aan een zwarte stip in de rugvin.

In 1980 is het genus Limia door L. Rivas in twee subgenera verdeeld: Limia Poey en Odontolimia (vernoemd naar de vorm van de tanden) Rivas. De soorten uit het genus Odontolimia zijn allen afkomstig uit Lake Miragoane, Haïti en zijn nog nauwelijks in de hobby bekend. De op dit moment gehouden soorten zijn bijna allen afkomstig uit het subgenus Limia. De soorten binnen het laatstgenoemde subgenus zijn nauw met elkaar verwant en in het aquarium kunnen dan ook snel bastaarden ontstaan. Zelf heb ik eens een Limia nigrofasciata man met een L. perugiae vrouw gekruisd (zie foto). De nakomelingen bleken ook in de derde generatie nog vruchtbaar. Hierna heb ik deze vissen weggedaan. Aangezien dergelijke bastaarden niets toevoegen aan de oorspronkelijke soorten, is het beter om meerdere soorten niet in één aquarium te houden en op deze wijze te voorkomen dat de bastaarden ontstaan.

Limia’s zijn afkomstig uit de Caribische eilanden Hispaniola, Cuba, Jamaica en de Cayman-eilanden. Hier worden de soorten op uiteenlopende plaatsen aangetroffen. Een aantal soorten komt zowel in zoet- als brakwater voor. L. sulphorophila heeft zich helemaal aangepast aan een zwavelhoudend biotoop. Overigens is gebleken dat deze soort ook prima in een zoetwateraquarium is te houden. De van de Cayman-eilanden afkomstig L. caymanensis komt alleen voor in brakwater en is ook in het aquarium slechts goed te houden als er enig zeezout aan het water wordt toegevoegd.

Hoewel de meeste soorten geen extreme eisen aan het water stellen, verloopt de kweek het beste op niet al te zacht water. De temperatuur kan rond de 25ºC liggen. Aan het voer worden geen bijzondere eisen gesteld. Alle op dit moment in de hobby gehouden soorten zijn alleseters. Om fraaie uitgegroeide dieren is een gevarieerde voeding, met daarin het nodige groenvoer, van belang.

Tot de grootste soorten van het genus Limia behoren Limia vittata en Limia perugiae. Deze soorten wil ik hier kort bespreken.
De Cubaanse-Limia (Limia vittata (Guichenot, 1853)
Zoals de Nederlandse naam al aangeeft is de soort afkomstig van Cuba. De soort komt hier en op het ook tot Cuba behorende eiland Isla de Juventud (het vroegere Isla de Piños) in zowel brak- als zoetwater voor. Limia vittata is de enige soort uit het genus die in dit gebied wordt aangetroffen. Het biotoop bevindt zich voornamelijk aan de kust van deze eilanden. Een theorie is dat de leden van de genera Limia en Gambusia pas op deze eilanden kwamen nadat het bevolkt was met vertegenwoordigers van het genus Girardinini. Dit genus, met als bekendste vertegenwoordigers het metaaltandkarpertje (Girardinus metallicus) en G. falcatus, wordt alleen op de Cubaanse eilanden aangetroffen.

Het uiterlijk van de Cubaanse Limia is erg variabel. De meeste afbeeldingen laten een vis met zwarte en gele vlekken zien. Naast deze opvallende vlekken is er op de zijkant van het lichaam een aantal metaalkleurige vlekken aanwezig. Deze fraaie kleuren zijn in de natuurlijke populaties niet aangetroffen. Baruš et al hebben de natuurlijke populaties van de vis intensief onderzocht. Zij kwamen de volgende drie kleur variëteiten tegen:

• met één tot drie uit zwarte punten bestaande lengtestrepen (64%),
• met drie tot tien zwarte strepen op de bovenste helft van het lichaam (21%) en
• met twee tot vijfentwintig onregelmatige grote zwarte vlekken op het lichaam (15%).

De rugvin is bij deze drie types altijd gevlekt en er is geen verschil tussen de tekening van de mannetjes en de vrouwtjes. Hoe de bekende aquariumpopulatie aan de fraaie tekening is gekomen, is niet duidelijk. Mogelijk gaat het om een kruising. Lambert noemt de invloed van voedsel als verklaring voor de afwijkende kleuren bij de aquariumstam. In de mij beschikbare oude literatuur uit de jaren dertig is sprake van vissen die erg op de natuurlijke vorm lijken. Een verklaring voor de gele tekening of het moment waarop deze bij de Cubaanse Limia in het aquarium verscheen kan ik dan ook niet geven.

De vrouwtjes van de Cubaanse Limia kunnen 10 cm lang worden. De mannetjes blijven twee centimeter kleiner. Het grootste vrouwtje dat door Baruš et al in de natuur werden gevangen waren 6 cm. Mogelijk zorgen de goede voeding en het ontbreken van natuurlijke vijanden in het aquarium voor een grotere lengte.

Het verzorgen en kweken van de soort is over het algemeen geen probleem. Bij een goede voeding en een regelmatige waterverversing werpen de vrouwtjes ongeveer eens in de vier weken een aantal jongen. De jongen zijn ongeveer 8 mm groot en egaal gekleurd. De vlektekening ontstaat pas op latere leeftijd. Het opkweken van de jongen vormt geen enkel probleem. Aangezien de oudere dieren nauwelijks jacht op de netgeboren visjes, hoeven in een aquarium met een dichte beplanting aan het wateroppervlak de jongen niet apart gehouden te worden. Er blijven er altijd een aantal over. Het kan acht maanden duren voordat de mannetjes geslachtsrijp zijn. Het uit de vergroeide aarsvin ontstane gonopodium (= het mannelijke geslachtsorgaan van de levendbarende tandkarpers) wordt soms reeds na vier maanden zichtbaar, maar is pas enkele maanden later volledig uitgegroeid. De gele vlekken zoals die bij de aquariumstam bekend zijn, worden pas op een latere leeftijd zichtbaar. Deze zijn het meest prominent bij de mannetjes aanwezig. Enig geduld is dus wel noodzakelijk wil men van deze vissen kunnen genieten.
Limia perugiae (Evermann & Clark, 1906)
Deze grote Limia-soort is afkomstig van de Dominicaanse Republiek waar meer Limia’s vandaan komen. Het schijnt dat er twee types van deze soort voorkomen. Een grote vorm met een lengte van maximaal 10 cm en een kleinere vorm die ongeveer 4 cm kleiner blijft. In hoeverre we hier echt te maken hebben met twee verschillenden typen of dat het de omstandigheden zijn die het formaat bepalen, is mij niet geheel duidelijk. Toen ik eens de kleine vorm had en deze goed voerde en vooral vaak water verversde, werd de nakweek al snel groter dan hun ouders. Waarschijnlijk is het voornamelijk de omgeving die het formaat van de vissen bepaald. Een zeer fraaie populatie is afkomstig uit een bron in de omgeving van het Lago Enriquillo. Een reden voor het feit dat hier de fraaiste en grootste dieren worden gevonden, kan liggen in het feit dat door het schone water de hypofyse en de schildklier extra worden gestimuleerd, waardoor deze vissen beter groeien.

Vooral de grote dominante mannen van deze soort kunnen zich ontwikkelen tot prachtige forse vissen met een fraaie blauwe iriserende glans, een donkere rugvin en een gele staartvin. De vrouwtjes missen de fraaie kleur in de vinnen, maar hebben, wanneer ze geslachtsrijp zijn wel de prachtige glans op het lichaam. In de rugvin hebben ze de voor het genus Limia kenmerkende zwarte punt. De nog niet volwassen dieren zijn slanker van vorm en missen de fraaie kleuren van de volwassen vissen.

Het verschijnsel dat een dominant mannetje de fraaiste kleuren laat zien en bovendien vaak groter is dan de andere aanwezige mannetjes (polymorphisme) kan bij veel levendbarende tandkarpers die in schoolverband leven worden aangetroffen.

De dominante of alpha-mannetjes zijn duidelijk de baas in de school en zijn constant bezig om de andere mannetjes te achtervolgen. Ook hebben zij het meest uitgesproken balts gedrag waarbij ze met gespreide vinnen voor het vrouwtje pronken. Zeker wanneer men nog rekening houdt met het feit dat de vrouwtjes een voorkeur voor de grootste mannen hebben, lijkt het in de lijn der verwachting te liggen dat de nakomelingen afkomstig zijn van de dominante man. Door Schart et al is aan de hand van DNA-onderzoek aangetoond dat dit bij de aanwezigheid van twee mannetjes ook het geval is. Wanneer er echter meerdere mannen van verschillend formaat aanwezig zijn, bleek dat het dominante en het kleinste mannetje geen nakomelingen meer hebben. Alleen de tussenliggende mannetjes hebben nakomelingen. Overigens kunnen deze mannetjes nakomelingen in alle groottes krijgen, waardoor er altijd weer grote dominante mannetjes ontstaan. Voor meer informatie hierover verwijs ik naar het artikel van C. Elbelding-Denk et al uit 1994.

De soort is erg vruchtbaar. De vrouwtjes werpen ongeveer eens in de vier weken een groot aantal jongen. Afhankelijk van de grootte van het vrouwtje kan dit aantal oplopen tot 100. De oudere vissen vormen geen bedreiging voor de ongeveer 7 mm grootte jongen en wanneer er aan het wateroppervlak schuilplaatsen in de vorm van planten aanwezig zijn, zullen er altijd een groot aantal overleven. Deze grote hoeveelheid nakomelingen kunnen ook tot problemen leiden. Niet alleen kunnen ze zorgen voor een overbelasting van het aquarium wanneer er niet voldoende predatoren in het aquarium aanwezig zijn. In het natuurlijke biotoop zorgen vaak cichliden voor het beperken van het aantal jongen. Een overschot van vissen in het aquarium zal er ook voor zorgen dat de wel aanwezig vissen minder snel groeien en kwetsbaarder worden voor allerlei ziektes. Hierdoor loopt de nakweek het risico om niet meer het formaat van de ouders te halen. Een goede selectie, regelmatige waterverversing en de juiste voeding blijven ondanks het feit dat de soort erg vruchtbaar is van het grootste belang.

De twee grootste Limia-soorten zijn beide geschikt voor aquariumliefhebbers met een aquarium van meer dan 1 meter lengte. Hierin zijn het fraaie vissen die met iedere andere rustige soort samengehouden kunnen worden.
Literatuur
Dit artikel is eerder verschenen in Poecilia 1 uit 1998
Rivas, L.R. 1980, Eight new species of Poeciliid fishes of the genus Limia from Hispaniola, Northeast Gulf Science Vol 4 blz 28-38 ·
Chambers, J. 1986, The cyprinodontiform gonopodium, with an atlas of the gonopodia of the fishes of the genus Limia, J. Fish Biol., 30 blz. 389-418 ·
Meyer, Wischnat & Foerster, Lebendgebärende Zierfische 1985 Mergus Verlag ISBN 3-88244-006-6 ·
Baruš, J., Libosvársky & J. De La Cruz (1980), Observations on Limia vittata (Poeciliidae) from Kuba, Folia Zoologica. 3 blz 267-287 ·
Lambert, D. (1996), The livebearer world: The lovely Limias, Tropical Fish Hobbyist, March blz. 196-200 ·
Erbelding-Denk, C., J.H. Schröder, M. Schartl, I. Nanda, M. Schmid and J.T. Epplen (1994), Male Polymorphism in Limia perugiae (Pisces: Poeciliidae), Behavior Genetics, Vol. 24 No. 1 blz. 95-101 ·
Schartl et al, (1993), Reproductive failure of dominant males in the Poeciliid fish Limia perugiae determined by DNA fingerprinting, Proc. Natl. Acad. Sci, 90 blz. 7064-7068

© 2018-2020 Poecilia.nl All Rights Reserved. Webmaster Marco Goeman
nlenfrdept
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account

X

.

© poecilia.nl