Xenophallus umbratilis
(Meek, 1912)
landkaart
Tekst
Kees de Jong
Foto's
Zie foto
Geplaatst
13 mei 2020
Temperatuur
18-23 °C
Verzorging
Makkelijk
Zone
?
Karakter
Vredelievend
Vijver
?
Nederlandse naam
Niet aanwezig.
Etymologie
De genusnaam Xenophallus betekent in het Grieks letterlijk vreemd geslachtsorgaan.
Grootte
De vrouwtjes kunnen 8 cm lang worden, maar blijven meestal kleiner. De mannetjes worden maximaal 5 cm.
Temperatuur
Tussen de 18 en 23ºC.
Aquarium
?
Verspreiding
Xenophallus umbratilis komt rondom het Arenal meer voor in de stroompje en rivieren in het noordelijke hoogland van Costa Rica. Het verspreidingsgebied loopt door tot aan het Nicaragua meer in het gelijknamige land. Deze rivieren hebben meestal een rotsachtige bodem en de enige beplanting bestaat uit overhangende oeverplanten. Ze leeft vaak samen met de levendbarende tandkarpers Phallichthys pittieri, Poecilia gillii, Alfaro cultratus en Priapichthys annectens. Daarnaast nog een groot aantal andere soorten zoals cichliden, karperzalmen, killi’s, koornaarvissen en meervallen.
Bijzonderheden
Xenophallus umbratilis maakt duidelijk dat een uitgesproken kleurenpracht niet nodig is om toch een aantrekkelijk visje te zijn. Het slanke lichaam is bruingeel van kleur en wordt naar de buikzijde toe lichter. Op het lichaam zijn enkele kleine dwarsstreepjes te zien. De rugvin is opvallend. De voorste vinstralen en de boven- en onderkant zijn zwart. Afhankelijk van hun stemming is deze vin bij de mannetjes oranje of geel gekleurd. De overige vinnen hebben een gelige tint. Het lichaam van dominante mannetjes kan goudkleurig worden. De vrouwtjes hebben een donkere vlek boven de aarsvin. Een belangrijk onderscheid met andere levendbarende tandkarpers vormt het gonopodium. Dit is anders dan bij alle andere levendbarende tandkarpers.

Deze soort gedijd het beste in een groep van minimaal 8 dieren. De levendige mannetjes zijn onderling continue aan het sparren en baltsen. Hierbij spreiden ze hun vinnen en staat de rugvin opvallend bovenop het lichaam en wijst het gonopodium recht naar beneden. Het zijn vredelievende visjes die ook geen gevaar vormen voor de pasgeboren jongen. Eenvoudige schuilplaatsen aan het wateroppervlak waar de pasgeboren jongen bij kunnen komen, zijn wel belangrijk. De vrouwtjes krijgen afhankelijke van hun lichaamsgrootte maximaal 25 jongen per worp.

In de natuur leven ze in fris en bewegend water. Enige waterbeweging en regelmatig een deel van het water verversen is voor een goede verzorging noodzakelijk.
Kweek
Zie bijzonderheden.
Voedsel
Het zijn geen kritische eters. Een gevarieerd menu van diverse aquariumvoeders is voldoende. Als de jongen in de bak met de grote dieren worden gehouden, moeten ze wel voldoende voer krijgen. Om te voorkomen dat de grote vissen al het fijnere voer opeten, voer ik meestal eerst het grovere voer en daarna het kleinere voor de jongen. De grote vissen hebben hun ergste honger dan gestild en de jongen hebben dan meer mogelijkheden om het voor hun geschikte voer te eten.
Overig
Ik kreeg deze soort voor het eerst in 1987 van G. Rickling en heb ook in de jaren daarna met enige tussenpozen deze soort altijd met veel plezier gehouden. Het is zeker de moeite waard om deze levendbarende tandkarper eens te houden en te kweken.
Vijver
Het is onbekend of deze soort ook gedurende de zomermaanden buiten in de vijver kan worden gehouden.
Literatuur
Geen

© 2018-2020 Poecilia.nl All Rights Reserved. Webmaster Marco Goeman
nlenfrdept
Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account

X

.

© poecilia.nl